Je stelt het uit tot het echt niet meer kan
Iedereen, ook niet-wielrenners met hun lege bestaan, herkent het fenomeen dat je in bed ligt terwijl je eigenlijk moet plassen. Onder de dekens is het lekker warm, erbuiten koud. Je verkiest, net zolang tot het echt niet meer gaat, lekker warm boven een lege blaas.
Als de barre tocht naar het toilet dan toch is gemaakt en de blaas geleegd, denk je altijd: waarom deed ik dat niet eerder? Helemaal als je daarna nog weer even onder de warme dekens mag kruipen voor 'een encore' - zoals mijn vriendin een bonusslaapje noemt.
En dan komt het: dat heerlijke gevoel achteraf
Zo is het met fietsen ook, zeker in de vaak zo natte, grauwe en koude wintermaanden. Je hikt er tegenaan om je bijkans als Michelin-mannetje aan te kleden zodat je een beetje warm en/of droog blijft op de fiets. Zelfs als je je schoenen vastdraait is er nog even de twijfel: waar ben ik mee bezig?
Die is er weer als je de deur voor het eerst opendoet en je constateert: oei, nog net wat kouder en meer wind dan ik dacht. Tijdens de rit kan het ook nog opspelen, bij een bui of als je vol 5 Beaufort op je snoet hebt. Maar nooit erna. Achteraf heb je nooit spijt. Achteraf is het altijd lekker. Na een warme douche in joggingbroek op de bank. Tijd voor een encore. Gelukzalig dommel je weg.
In de rubriek ‘Herkenbare dingen voor wielrenners’ delen onze fietsende redacteuren ervaringen die je als wielrenner in Nederland en België maar al te goed kent.