Zone 2 als heilige basis in de winter
Wie denkt dat de beste renner ter wereld in de winter vooral korte, flitsende blokjes afwerkt, komt bedrogen uit. Pogačar zegt dat hij in die periode het liefst “gewoon zone 2, vijf tot zes uur” rijdt, zo vertelt hij in een podcast ket oud-prof Jakob Fuglsang bij de Deense krant Feltet. Solo, lange lussen, steady vermogen, naar huis met dat lekkere ‘kapot maar voldaan’-gevoel.
Zone 2 klinkt voor veel liefhebbers als een rustig rondje. Bij Pogačar is het eerder een rustige rondrit op warp speed. In een andere recente podcast en bijbehorende analyses werd duidelijk dat zijn zone-2-vermogens rond de 320 tot 340 watt liggen. Voor normale stervelingen is dat vaak nog geen 5 minuten vol te houden.
De logica erachter is klassiek maar genadeloos effectief: veel uren op lage tot matige intensiteit (voor hem dus..) bouwen een motor waar je later alles op kunt stapelen. Vetverbranding, duurvermogen, ‘fatigue resistance’, het hele pakket. Pogačar is gewoon extreem consequent in dat fundament.
'Dit is de ergste training': waarom hij sprintblokken mijdt
Het meest prikkelende uit zijn verhaal is niet wat hij doet, maar wat hij verafschuwt. Over trainingen met veel korte sprints is hij onverbiddelijk: “Tien sprints aan het begin en tien aan het einde… dit is de ergste training.” En: “Ik hou niet van te veel explosief spul.”
Dat is opvallend, want Pogačar beschikt toch ook over een sterk sprintje en de tendens is dat wielrenners in de winter dit werk toch ook steeds vaker meepakken.
Zijn punt is echter niet dat het explosieve werk onbelangrijk is, maar dat hij er in de winter weinig mee opschiet. Te vroeg pieken, te veel stress op het lichaam, en vooral: het levert hem niet de basis op die hij wil. Eerst de tank groter maken, daarna pas de turbo afstellen.
Koersspecifiek richting de klassiekers
Als het seizoen dichterbij komt, verandert de toon. Voor belangrijke eendagskoersen blijft de rit lang, maar gaat de intensiteit omhoog. Pogačar beschrijft het bijna als een mini-simulatie van een klassieke finale: zes uur op stevig tempo, dan “achter de motor één tot anderhalf uur” en pas daarna “wat explosiviteit in het laatste uur”.
Motorpace is zo’n prikkel die je niet vaak ziet bij amateurs, maar bij profs werkt het als gecontroleerde chaos: je krijgt een lange duurdag, een harde middenfase, en je leert daarna nog steeds versnellen op vermoeide benen. Exact wat je in een grote eendagskoers nodig hebt.
Wat jij hier als wielerliefhebber van kunt meenemen
Je hoeft natuurlijk niet vijf uur 330 watt te rijden om iets van Pogačar te leren. De boodschap is simpeler dan je denkt: basis eerst, prikkels later, en vooral prikkels die lijken op wat je in je doelkoers gaat meemaken.
Dus wil je beter zijn in een lange toertocht of granfondo? Dan is die ‘saaie’ duurtraining misschien juist je spannendste stap vooruit. En sprintjes? Die komen wel, maar pas als je motor groot genoeg is om ze te dragen.
- Cor Vos