João Almeida was 18 of 19, alleen in Italië, ver van huis en onzeker of hij wel door moest. Portugal bood weinig kansen om prof te worden, dus moest hij weg. Het werd zwaarder dan hij had gedacht.
“Een dag belde ik mijn moeder huilend op omdat ik naar huis wilde, dat ik niet meer wilde fietsen… ja, dat is heel moeilijk,” vertelt hij hij tegen Ciclismo a Fondo. Zij duwde hem vooruit: proberen, en pas dan beslissen. Almeida bleef.
De Tour-crash die nog knaagt
Dit jaar kreeg hij opnieuw zo’n breekmoment, maar dan in de Tour. Een zware val op hoge snelheid, rib gebroken, en na twee dagen moest hij opgeven. “Voor de ploeg was het pijnlijk om zo snel weg te moeten,” zegt hij. Toch probeerde hij eerst nog door te rijden: “Ik wist dat ik het onmogelijke probeerde, maar ik wilde het proberen. Ik wilde niet denken aan opgeven zonder het te hebben geprobeerd.” Uiteindelijk ging het niet meer. "Ik ben God niet."
Pogačar als maatstaf
Almeida rijdt in het tijdperk van een paar superkampioenen, maar vindt toch zijn plek. Hij staat pal naast zijn kopman Tadej Pogacar. "Voor mij is hij de beste renner ooit… hij is een ‘alien’. Mijn motivatie is elke ochtend om te trainen is om de beste versie van mezelf te zijn. Ik hoop altijd weer dat mijn niveau in de buurt komt van Tadej."
Zijn droom, zonder het team te breken
Pogacar haalde al het podium in de Giro en Vuelta en won dit jaar rittenkoersen van een week. Maar het echte doel blijft helder: “Een grote ronde winnen, welke dan ook, dat zou mijn droom zijn.” En tegelijk blijft hij loyaal aan UAE’s hiërarchie: hij wil Pogačar helpen zolang die rijdt, en zelf toeslaan als de kans ontstaat. “De sterkste wint niet altijd,” zegt hij.
- cor vos