Startgeld is iets anders dan prijzengeld
Om te beginnen: startgeld is geen prijzengeld. Prijzengeld verdien je met presteren, startgeld krijg je simpelweg om te verschijnen. Organisatoren betalen een topnaam om publiek te trekken, tickets te verkopen en hun cross aantrekkelijker te maken voor sponsors en media.
Die afspraken worden vrijwel altijd vertrouwelijk vastgelegd. Dat maakt het onderwerp meteen gevoelig, want zonder open contracten ontstaat vanzelf een grijs gebied vol aannames.
Wat krijgen Van der Poel en Van Aert ongeveer?
De bedragen die het meest consequent terugkomen in berichtgeving en gesprekken binnen het veldrijden liggen tussen de 15.000 en 20.000 euro per cross voor Mathieu van der Poel en Wout van Aert. Dat is geen vast tarief, maar een bandbreedte.
Het exacte bedrag hangt af van factoren als het type cross, de locatie, de kalenderpositie en de commerciële waarde van het evenement. Een kerstcross met volle tribunes is simpelweg meer waard dan een losse wedstrijd op een doordeweekse middag.
En die verhalen over ‘monsterbedragen’?
Af en toe duiken er bedragen op die richting 50.000 euro per cross gaan, meestal gekoppeld aan Van der Poel. Die cijfers doen het goed op sociale media, maar worden door mensen uit de organisatiehoek regelmatig tegengesproken.
Organisatoren benadrukken dat beide renners weliswaar een sterke onderhandelingspositie hebben, maar geen absurde bedragen eisen en elkaar ook niet laten opbieden. Het beeld van een jaarlijkse veiling klopt simpelweg niet.
Waarom betalen organisatoren dat startgeld?
Omdat één superster een complete cross kan kantelen. Zodra Van der Poel of Van Aert op de affiche staat, stijgt de kaartverkoop, neemt de mediabelangstelling toe en wordt het evenement aantrekkelijker voor sponsors. Ook de horeca op de dag zelf loopt natuurlijk beter als er meer mensen zijn.
Voor organisatoren is startgeld dus geen kostenpost, maar een investering. Zonder grote namen is het risico groter dat een cross financieel tegenvalt, hoe sportief interessant het startveld ook is.
De keerzijde voor het peloton
Dat geld kan maar één keer worden uitgegeven. Als een aanzienlijk deel van het budget naar één of twee headliners gaat, blijft er minder over voor hogere premies, betere faciliteiten of extra vergoedingen voor andere renners.
Voor veel veldrijders betekent dat: rijden voor zichtbaarheid, niet voor rijkdom. Het systeem vergroot de kloof tussen de absolute toppers en de brede subtop.
Wereldbeker veldrijden: sportief, maar financieel lastiger
In de Wereldbeker veldrijden ligt het anders. Daar is het prijzengeld vastgelegd, maar bestaat er officieel geen startgeld. Renners verdienen dus alleen als ze presteren, niet als ze simpelweg verschijnen.
Dat maakt Wereldbekers sportief zuiver, maar commercieel minder aantrekkelijk voor renners die elders wél een gegarandeerde vergoeding kunnen krijgen.
Wereldbekers zijn officieel zonder startgeld, maar in de sport wordt vaak gesproken over een omweg. Voor renners als Mathieu van der Poel en Wout van Aert zouden vergoedingen soms niet als startpremie voor die Wereldbeker worden betaald, maar via aparte commerciële afspraken eromheen. Op papier blijft het 'geen startgeld', in de praktijk kan de ster toch worden gecompenseerd.
Waarom transparantie zo lastig blijft
De roep om openheid klinkt logisch, maar botst met de realiteit van onderhandelingen. Zolang startgeld een commercieel instrument blijft, zullen organisatoren en renners die cijfers liever binnenskamers houden.
Misschien is dat wel de kern van het veldrijden anno nu: iedereen weet dat startgeld bestaat, niemand weet exact hoeveel, en precies dat houdt het onderwerp zo hardnekkig interessant.
- Cor Vos