Het begon al de avond ervoor
“Heb jij die bidons nu al in de auto gezet? Die moet ik tussen Beilen en Hoogersmilde écht hebben hoor!”, bijt ik m’n vriendin toe. De laatste uren voor de start zijn in huize Sipkema geen rustige voorbereiding, maar een stressvolle mix van checklisten, twijfel en nerveuze blikken naar buiten.
Ik had me begin november in een vlaag van verstandsverbijstering opgegeven voor deze marathon. En nu het moment dichterbij komt, word ik vooral zenuwachtig van één ding: het weerbericht. Een week lang vergelijk ik alle denkbare weersites, en bijna allemaal schetsen ze hetzelfde sombere beeld. Het zonnige vorstweer is verdwenen. Regen en wind nemen het over. Windkracht 6 in Drenthe, eind december.
Vrienden die eerdere edities hebben gereden (of niet uitreden) vertellen er met iets te veel plezier over. Het soort verhalen dat je pas echt begrijpt als je er zelf in zit.
Specialized had me voor deze monstertocht een Epic Expert full-suspension in bruikleen gegeven. De weken ervoor had ik er flink op getraind: genoeg uren gemaakt, genoeg modder gezien, genoeg vertrouwen opgebouwd om te denken dat ik dit fysiek wel moest kunnen. Maar vertrouwen is iets anders dan zin hebben. De voorspelde regen en kou boezemen angst in.
Harde realiteit
Op wedstrijddag word ik om half vier wakker. Ik trek de gordijnen open: regen klettert tegen het raam, de wind huilt om het huis. De moed zakt me in de S-Works Recon schoenen. Waar ben ik aan begonnen?
Ik heb meerdere setjes kledij klaarliggen, maar twijfel alsnog. Wat is “goed” als alles nat wordt?
Ik werk haastig een ontbijt naar binnen, schud m’n vriendin wakker en meld dat ik wil dat ze na 80 kilometer klaarstaat met droge kleren.
“Maar we hebben toch afgesproken dat ik in Beilen op de helft zal staan?”, antwoordt ze geïrriteerd.
Ik wijs naar buiten door het slaapkamerraam en gil met een rood aangelopen kop: “Zie je dit??? Hier moet ik vandaag 200 kilometer doorheen!”
Argument gewonnen. Op naar Roden.
Bouwlampen, regen en een slecht idee
Bij het Velodroom in Roden zetten grote bouwlampen het startvak in een hard, fel licht. Het werkt bijna filmisch: je ziet de regenbuien, voortgestuwd door windvlagen, letterlijk door het licht heen jagen. Het helpt niet voor mijn moraal.
Binnen schuilen deelnemers tegen het weer en tegen hun eigen gedachten. Iedereen stelt zichzelf dezelfde vraag: hoe erg gaat dit worden?
Ik start in de tweede wave. Om 06.05 schuifel ik naar buiten om het startschot af te wachten. Mijn fiets hangt vol verlichting, op de helm zit een koplamp. Een minuut voor de start druk ik alles aan. Genoeg lumen bewaren, genoeg tijd winnen, genoeg ellende vermijden. Dat is het plan.
De eerste kilometers worden geneutraliseerd gereden. Als de tocht wordt vrijgegeven, neemt mijn koersinstinct het over: ik kleef aan de bumper van de voorrijwagen. We rijden eerst nog even over de weg. Ik ben blij met die “gratis” kilometers, zeker met zo’n massa.
Na vijf kilometer grap ik tegen een deelnemer naast me dat we al een twintigste hebben volbracht.
Daarna gaat het mis. Of eigenlijk: daarna begint het.
Sadistische neiginkjes
De overgang naar de modder is abrupt. Ik schrik, rijd me vast in de Drentse blubber en moet meerdere keren van de fiets. Voor me wordt gevallen en geschoven. Het parkoers is veranderd in een glibberige testbaan, gevoed door een week regen.
En alsof de modder niet genoeg is, lijkt de organisatie er plezier in te hebben om je precies op het verkeerde moment het weiland in te sturen. Stukken knollenveld vol plassen, net vóór een verzorgingspunt. Je zult werken voor je banaan en bouillon, moeten ze hebben gedacht bij het uitzetten van het parkoers.
Ik verdenk ze van een licht sadistisch neiginkje.
Lichtjesparade
De eerste uren zijn een bijzondere gewaarwording. In het donker rijden door bossen voelt anders: geluiden zijn harder, bochten zijn scherper, je wereld is kleiner. Aan het begin is er nog een lichtjesparade, omdat iedereen dicht op elkaar zit. Maar al snel valt het veld uit elkaar. Kleine groepjes, losse rijders, en vooral: veel leegte tussen de lampjes.
Van de 1900 inschrijvers heeft bijna een derde de voorkeur gegeven aan bed. Ik begrijp ze. En toch ben ik blij dat ik hier rijd. Ik neem me voor om niet op het omslagpunt te rijden. Dit is geen dag om stoer te doen.
Natuurlijk komt er dan een groepje voorbij dat net iets harder rijdt. Natuurlijk haak ik aan. En natuurlijk wordt er daarna verwacht dat je ook kopbeurten doet.
Met frisse tegenzin kom ik op kop. Vijf minuten later sta ik bij een verzorgingspunt in een boerderijschuur, beschut tegen wind en regen. Hete bouillon, wat sportreepjes. Even zitten is verleidelijk, maar stilstaan is een valkuil: je koelt razendsnel af.
Dus ga ik weer.
Schoonloo en het thuisfront
Verderop weet ik dat mijn vriendin staat. Ze volgt mijn voortgang met de app ‘Drenthe200’. Het laatste stukje naar de boerderij hoor ik al van ver gejoel.
Nee, het zijn niet de koeien die de stal worden uitgejaagd om plaats te maken voor mountainbikers. Het zijn vrienden. Vier man, vroeg opgestaan, puur om te kunnen zeggen dat ze erbij waren toen ik het mezelf belachelijk moeilijk maakte.
Ik wil ze niet teleurstellen, dus pauzeer ik wat langer. Ik praat bij, doe stoer, lach om mezelf. Iemand spuit mijn Epic schoon: die zit inmiddels van nok tot derailleur onder de Drentse modder en kak. De fiets houdt zich uitstekend, al weet ik na afloop ook wat zo’n dag kost: alle draaiende onderdelen bleken tot op de draad versleten. Dankjullie wel Specialized!
Mijn vriendin kijkt beteuterd als ik zeg dat ik tóch pas in Beilen van kleding wissel.
“Sorry schat!”
Ze dreigt me op te geven voor het RTL-programma “Help, mijn man heeft een hobby”, maar ik lach schaapachtig en rijd door.
Op de helft: opnieuw beginnen
In Beilen krijg ik een kop warme soep die ik weinig charmant naar binnen schrok. Daarna: omkleden. Niet een beetje, maar echt. Nieuw ondershirt, droge lagen, opnieuw inpakken, opnieuw vertrekken. Het voelt alsof je een tweede koers start, maar je benen weten wel beter.
We draaien en krijgen een periode wind op kop. Daarna duik ik beschut het landschap in. In theorie rijd je door natuurgebieden waar je van zou moeten genieten. In de praktijk zie je kale bossen, zwiepende takken en een grijze lucht die alles vlak maakt. Het voelt eerder macaber dan mooi.
Toch merk ik iets geks: ook na 120 kilometer ben ik nog redelijk fris. De training heeft gewerkt. Ik twijfel niet meer of ik ga finishen. Mijn hoop verschuift: vóór het donker terug zijn.
Rug, pannenkoek en het begin van de echte strijd
Na uren in het zadel begint mijn rug te protesteren. In Appelscha, waar mensen genieten van muziek, een hapje en een drankje, laat ik me een pannenkoek voederen. Het contrast is bijna komisch: zij warm, ik doorweekt.
En dan schiet het ineens enorm in mijn rug.
Ik heb minstens vijf kilometer nodig om weer soepel te kunnen trappen. Precies dan doemt er een bult op. Een voormalige vuilstortplaats die volgens Wikipedia na zijn sluiting in 1994 ‘op natuurlijke wijze is ingepast in het landschap’. Ik zie het vooral als een onwelkome gast op weg naar mijn doel.
Ik haal de top fietsend. Kleine overwinning. Daarna door naar de laatste verzorging, ergens achter een gevangenis.
Op dat soort momenten, na zoveel uren, met vermoeidheid die langzaam in je hoofd kruipt, krijg je rare gedachten. Ik vraag me af hoeveel gedetineerden hier deze tocht zouden volbrengen als ze daarmee hun vrijheid terug zouden krijgen.
Het Janpad
Het schemert. Ik ben overtuigd dat ik in het licht ga finishen en zeg tegen m’n vriendin dat ze de reservelamp in de auto kan laten liggen.
Een catastrofale misrekening.
Een half uur later, op het beruchte Janpad, valt de duisternis razendsnel in. En ik heb geen licht meer.
Het pad ligt er verschrikkelijk bij. Zonder verlichting wordt elke meter een gok. Ik vervloek mezelf om zoveel nonchalance. Voor de zoveelste keer moet ik van de fiets. Ik zie naast het compleet verblubberde pad een smal paadje waar anderen ook hebben geprobeerd te rijden. Een minieme strook gras. Ik aarzel niet en volg het.
Vijfhonderd meter later wil ik terug het parkoers op.
Dan zie ik het: mijn weg wordt geblokkeerd door een brede sloot.
Ik móét verder, aan de verkeerde kant, op zoek naar een doorsteek. Maar die komt maar niet. Vier Schotse Hooglanders kijken me onbegrijpend aan terwijl ik luid tierend mijn lot vervloek.
Ik word zo wanhopig dat ik serieus overweeg de sloot in te springen en terug te waden naar het parkoers. Ik besluit nog twee minuten door te lopen.
En dan, eindelijk, zie ik in de verte een hek waarmee ik weer terug kan keren.
Alsof ik net op tijd uit een slecht idee word gered om vervolgens meteen in het volgende te stappen.
Want daarmee is de lijdensweg nog niet voorbij. Zonder licht ben ik in de donkere bossen een schim die van struik naar struik stuurt. Talloze deelnemers gaan me in extremis voorbij. Normaal zou dat pijn doen. Nu is het het minste van mijn zorgen. Ik probeer in het spoor te blijven van rijders die wél verlichting hebben, maar het beste is er inmiddels wel af.
Eenzaam haspel ik de laatste kilometers af.
Finish: opluchting met jus
Om half zes rijd ik over de finish bij het Velodroom in Roden. Opluchting is geen groot woord meer; het is het enige woord.
Ik mag aanschuiven voor boerenkool met worst en heel veel jus. Ik zie m’n vriendin, bedank haar voor eindeloos geduld en besef: ondanks alles smaakt het naar meer.