De 3 grootste fouten tijdens een FTP-test (en waarom je zones waarschijnlijk niet kloppen)

Het zijn de meest gevreesde twintig minuten van je wielerleven, maar essentieel voor je progressie. Trap jij ook in deze valkuilen waardoor je wattage lager uitvalt dan nodig?

Een mannelijke wielrenner die tot het uiterste gaat tijdens een FTP-test op een indoortrainer in een donkere garage, met een grote ventilator voor zich en een laptop die 'FTP TEST - 280W' weergeeft.

Waarom je functionele drempelwaarde heilig is

Iedereen die serieus met wielrennen bezig is krijgt er vroeg of laat mee te maken. FTP staat voor Functional Threshold Power en is de heilige graal van de trainingsleer. Simpel gezegd is dit het maximale vermogen in watts dat je theoretisch gezien een uur lang kunt volhouden. Het is een cruciaal getal omdat al je trainingszones op dit cijfer worden gebaseerd.

Weet je jouw FTP niet precies of is je laatste test alweer maanden geleden? Dan is trainen met een vermogensmeter (of op je indoortrainer) eigenlijk gokken. Als je te licht traint word je niet beter en als je te zwaar traint ligt overtraining op de loer. Een goede test is dus de basis van elk succesvol trainingsschema, maar de uitvoering luistert nauw.

Fout 1: Vermoeid of met slecht materiaal aan je FTP-test beginnen

Een goede FTP-test begint niet op de fiets maar de dag ervoor. Omdat je tijdens de test tot het gaatje moet gaan is het belangrijk dat je volledig uitgerust bent. Plan de test bij voorkeur na een rustdag of een heel rustig losfiets-ritje. Vermoeid aan de start verschijnen is zonde van je tijd en levert onbruikbare data op.

Zorg ook voor voldoende brandstof in de tank. Eet twee tot drie uur van tevoren een koolhydraatrijke maaltijd zodat je glycogeenvoorraden gevuld zijn. Vergeet ook je materiaal niet te checken. Kalibreer je vermogensmeter vlak voor vertrek of na je opwarming. Niets is vervelender dan jezelf helemaal leegrijden voor data die door een afwijking niet klopt.

Fout 2: Kiezen voor de 'ramp test' in plaats van het 20-minuten protocol

Er zijn verschillende manieren om je waarden te testen. De ramp test is populair op apps als Zwift omdat hij snel voorbij is en minder pijn doet. Toch zweren veel trainers en profs bij de klassieke 20-minuten test. Deze test is een betere simulatie van een lange tijdrit en geeft vaak een realistischer beeld van wat je buiten op de weg kunt.

Je begint altijd met een uitgebreide warming-up. Rijd eerst tien tot vijftien minuten op een rustig tempo. Doe daarna drie korte spin-ups waarbij je een minuut met een hele hoge cadans trapt om je benen wakker te schudden. Sluit af met vijf minuten stevig doorfietsen en een korte, harde inspanning om de frisheid uit de benen te rijden.

Fout 3: Te hard starten en je vermogen niet vlak houden

Na de warming-up gaat het echte werk beginnen. Zet je teller op nul en bereid je voor op twintig minuten afzien. De grootste fout die renners maken is te hard starten. De eerste twee minuten voelen vaak makkelijk door de adrenaline, maar trap er niet in.

Probeer een vermogen te vinden dat je nét kunt vasthouden. Het moet pijnlijk zijn maar wel stabiel. Als je na tien minuten helemaal instort ben je te hard gestart en is je test eigenlijk mislukt. Een goede test laat een vlakke lijn zien, of eentje die op het einde nog iets oploopt omdat je er een eindsprint uitperst.

Wat doe je met het resultaat?

Ben je na twintig minuten van de fiets gerold zonder de bovenstaande fouten te maken? Kijk dan naar je gemiddelde vermogen over die specifieke sessie. Omdat je het maar twintig minuten hebt volgehouden en geen volledig uur, moet je dit getal corrigeren.

Je vermenigvuldigt de uitslag met 0,95 om tot je werkelijke waarde te komen. Trapte je gemiddeld 300 watt, dan is je FTP dus 285 watt. Met dit nieuwe getal kun je je trainingszones opnieuw instellen. Probeer deze test elke zes tot acht weken te herhalen. Zo zie je of je trainingen effect hebben en blijf je gemotiveerd om dat getal steeds een beetje hoger te krijgen.