Voorpublicatie Ravage, over het Giant-Alpecin drama: ‘Ik dacht dat Ramon er het ergst aan toe was, tot Chad zijn hoofd draaide’

Het is een van de zwartste dagen uit de recente wielergeschiedenis: 23 januari 2016. Tijdens een trainingskamp in het Spaanse Calpe werd een groep van zes Giant-Alpecin-renners, waaronder John Degenkolb, Warren Barguil, Chad Haga en Ramon Sinkeldam, frontaal van de weg gereden door een auto. De ravage was enorm, de impact op de betrokkenen onuitwisbaar.

foto van auteur nick klaessens met mattias reck en de cover van het boek ravage over het giant-alpecin drama

Op 21 januari verschijnt het wielerboek Ravage van Nick Klaessens - hier kun je hem alvast bestellen! Klaessens reed in een teamauto van Giant-Alpecin achter het groepje aan en maakte alles van dichtbij mee, samen met de Zweedse sprinttrainer Mattias Reck. Voor het boek zocht hij alle betrokkenen op, zo ook Mattias Reck tijdens de Copenhagen Sprint. Speciaal voor Wieler Revue een voorpublicatie.

Iets voor vieren komt Mattias aan in zijn Volvo. Bij het uitstappen knalt zijn grijns al uit de voegen van zijn gezicht. Er is een korte knuffel en een wissewasje over het weekend en de dag tot dusver. Hij ziet om de haverklap mensen van het team, die verrast zijn dat hij er is. Ze hadden ’m pas zondag verwacht, zeggen ze, en dan legt hij steevast uit dat hij een interview heeft over dat ene ongeluk in 2016.

Er is ook een bevriend Zweeds gezin dat op doorreis is met hun dochtertje dat net kan lopen en nergens bang voor is. Mattias zorgt ervoor dat het vrolijke kind uitgedost wordt in de primaire driekleur van Lidl- Trek. Sowieso weten wielerfans de bus te vinden voor een gratis bidon of petje. Een gouden marketingzet van Lidl om in het wielrennen te stappen. Het hele weekend lang zie ik in elk blikveld wel iemand die in het rood-geelblauw van de supermarktketen gekleed is.

Ik geniet van het aanstekelijke enthousiasme dat Mattias op de mat legt, en hoe mensen zich eraan opwarmen. Als hij een beetje uitgeraasd is rond de bus, lopen we richting het finishgebied van Copenhagen Sprint, alwaar het peloton zojuist voor de eerste van vier keer voorbij gezoefd komt. Een koffietje zou hij wel lekker vinden, dus gaan we daarnaar op zoek. Hij heeft een flink tempo in zijn tred. De queeste naar een bakkie mislukt op het festivalterrein, dan maar water.

Overal hangen grote schermen waar de wielrensters te volgen zijn. Als we eindelijk een standje gevonden hebben dat water verkoopt, blijkt dat we alleen met Deense kronen of een Deense bankpas kunnen betalen. Dan maar droog het eerste deel van het interview in. Op 400 meter van de finish gaan we zitten aan een lange houten tafel. Met een schuin oog houden we het scherm in de gaten.

'Alle groepen hadden een typische eerste echte trainingsdag'

‘Het was de eerste dag van het trainingskamp,’ begint hij. ‘De dag ervoor was de reisdag en dit was de eerste echte trainingsdag. Alle groepen hadden een typische eerste dag, met wat rustige intervallen en daarna leadout- en sprinttraining in het dal, van Benigembla richting Castell de Castells. Dat herinner ik me heel goed.’

‘Dat is ook de weg waar het ongeluk gebeurde, toch?’

‘Ja, op de terugweg. En dat is ook waarom we er iets later bij uitkwamen: we stopten een paar minuten bij de andere groepen om Arthur en Luke wat instructies te geven. En toen moesten we flink doorrijden om ons groepje bij te halen. Als een renner met 40 kilometer per uur die kant op rijdt en jij stopt een paar minuten om iets uit te leggen, dan haal je dat niet zomaar in. Ik denk dat we één à twee minuten na het ongeluk aankwamen op die plek. We moesten vol op de rem toen we aankwamen. Ik weet niet meer of dat kwam door die auto voor ons, of door Søren. Misschien allebei.’

‘We zagen eerst die kapotte auto en hadden toen nog niet door dat er renners bij betrokken waren. Daarna zagen we Søren rondrennen.’

‘Oké, dus in die volgorde gebeurde het. Goed om te weten, want ik was al gestrest en een beetje in shock. Het duurde even. We zagen Søren en precies op het moment dat hij iets zei, zag ik ze daar liggen. Daarna weet ik nog dat ik dacht: ik ben compleet in de stress, maar tegelijk ook kalm. In plaats van zelf na te denken wie ik moest bellen, belde ik gewoon Arthur of Luke. Ik weet niet meer wie van de twee.’

We zijn terug in het moment. Vooral Mattias, merk ik. Zijn enthousiasme en de herbeleving van de situatie zorgen ervoor dat zijn zinnen beginnen te haperen. De lieve stotter van een buitengewoon goed mens. Ik doe mijn best om zijn zinnen niet aan te vullen, niet eens vanwege de stotter, maar omdat we dit zo samen beleefd hebben. Ik wil zijn versie ervan horen.

'Big crash, we had a big crash'

‘Ik denk dat je Arthur belde. Hij was de eerste die na ons ter plaatse was.’

‘Oké, ik dacht: als ik hem bel, blijft hij rustiger. Dan kan hij helpen om dingen te regelen. Ik hoefde niks anders te zeggen dan: “Big crash, we had a big crash.” Hij hoorde meteen aan mijn stem hoe serieus het was.’

‘Voor Arthur was het zijn eerste trainingskamp.’

‘Echt bizar, want ook voor Luke was het zijn eerste jaar bij het team en dan gebeurt dit. Daarna weet ik nog dat we heel kort met Søren spraken. Hij gaf me of zijn vest, of zijn armstukken, of allebei. En ineens was hij weg. Later vertelde hij dat hij in shock was, dat hij gewoon doelloos rondliep, op zoek naar hulp. Hij wist niet goed wat hij moest doen. Hij wees en gaf ons spullen, en toen zag ik ze liggen.

'De koude rillingen gaan over mijn rug'

Verspreid over bijna vijftig meter, denk ik. Fredrik Ludvigsson lag echt in het struikgewas, en Warren en Max op de weg. Degenkolb lag in een greppel aan de zijkant, vlak bij Warren en Max. En dan had je Chad en Sinkeldam. Die lagen meer bij elkaar. Het eerste wat ik deed, ik kan me vergissen, was naar Chad en Ramon gaan. Chad was nog bij bewustzijn en keek naar Ramon, want die zag er echt slecht uit… Die kon zich niet bewegen. Op een gegeven moment kwam jij erbij. Volgens mij dachten we allebei dat Ramon er het ergst van allemaal aan toe was. Maar toen draaide Chad langzaam zijn hoofd…’

Mattias draait langzaam zijn hoofd als hij het oprakelt. De koude rillingen gaan over mijn rug. ‘En toen zagen we die wond pas. Ik geloof dat ik toen het vest of de armstukken van Søren pakte en die op zijn keel legde. En jij nam het over. Klopt dat?’

‘Ja. Ik zat tegen een boompje aan en Chad leunde tegen mij aan.’

‘Jij hield de druk erop. Daarna begon ik wat rond te lopen. Ik herinner me dat ik ging bellen. Of nee, volgens mij was het Max Walscheid die met de alarmdiensten belde, en mij vervolgens zijn telefoon gaf. Ik weet nog dat het begin van dat gesprek in het Duits was. Ik legde in het Duits uit op welke weg we waren, Benigembla, Castell de Castells, enzovoort. Ik hoopte vooral dat iemand anders óók belde.’