Stel je eens voor dat je met slechts vier uur trainen per week je fietsmaten het snot voor de ogen kunt rijden. Het klinkt als een fabeltje uit een goedkoop verkoopboekje, maar in de wielerwereld is dit wel degelijk mogelijk.
De sleutel tot dit succes heet intervaltraining. Veel wielrenners zweren bij urenlange rustige ritjes in het weekend, maar als je een drukke baan en een gezin hebt is dat vaak geen haalbare kaart. Gelukkig hoeft dat ook helemaal niet om toch die felbegeerde progressie te boeken.
Meer resultaat in minder uren
Het grootste misverstand onder amateurwielrenners is dat je kilometers moet vreten om goed te worden. Natuurlijk is een basisconditie belangrijk, maar om echt stappen te maken moet je het lichaam een prikkel geven die het niet gewend is. Als je altijd op hetzelfde rustige tempo fietst wordt je lichaam lui. Het went aan de belasting en stopt met zich aanpassen.
Intervaltraining doorbreekt die sleur. Door korte periodes van zeer hoge intensiteit af te wisselen met rustmomenten, dwing je jouw lichaam om keihard aan het werk te gaan. Het mooie is dat je voor een effectieve sessie vaak niet meer dan zestig tot negentig minuten nodig hebt. Ideaal voor op een doordeweekse avond na het werk.
Je motorblok vergroten
Wat er fysiologisch gebeurt is minstens zo interessant als de tijdwinst. Door je hartslag tijdens de intensieve blokken flink op te jagen train je jouw VO2 max. Dit is simpel gezegd de maximale hoeveelheid zuurstof die je lichaam kan opnemen en transporteren. Zie het als de inhoud van je motorblok. Hoe groter die motor, hoe harder je uiteindelijk kunt rijden.
Daarnaast help je met intervaltraining je lactaatdrempel omhoog. Dit is het punt waarop je benen vol lopen en het fameuze melkzuur de overhand neemt. Door regelmatig net rond of boven dit punt te trainen, leer je jouw lichaam om dat zuur efficiënter af te voeren of te tolereren. Het resultaat is dat je in de finale van een toertocht of wedstrijdje net even wat langer die diepe inspanning kunt volhouden dan je concurrent.
Leren omgaan met de pijn
Naast de fysieke voordelen is er ook een mentaal aspect dat vaak onderschat wordt. Wielrennen is immers ook een sport van kunnen afzien. Tijdens een intervaltraining zoek je bewust de pijngrens op. Je longen branden en je benen schreeuwen om genade, maar je moet nog dertig seconden doorbeuken om je blokje af te maken.
Dit bouwt mentale hardheid op. Als je tijdens een training leert om door die barrière heen te breken, is het makkelijker om dat ook te doen als het er echt om gaat. Je weet namelijk dat je het kunt en dat de pijn tijdelijk is. Het geeft enorm veel voldoening als je na een loodzware training uitgeput op de bank ploft met de wetenschap dat je jezelf echt hebt uitgedaagd.
Rust is net zo belangrijk als de inspanning
Toch moet er ook een kleine waarschuwing bij dit lofzang op de intervaltraining. Het is verleidelijk om nu elke rit volle bak te gaan, maar dat is vragen om blessures of overtraining. Intervaltraining is een zware belasting voor je spieren en pezen.
Het geheim zit hem in de balans. Plan maximaal twee van dit soort sessies in de week en zorg dat de dagen ertussen in het teken staan van herstel of rustige duurritjes. Juist in de rustperiode past je lichaam zich aan en word je sterker. Dus pak die intervallen serieus aan, maar vergeet niet om daarna ook serieus te relaxen. Zo sta je de volgende keer weer fris aan de start voor een nieuwe ronde afzien.