De hype rondom korte 30/15-prikkels
Als je een beetje serieus met je training bezig bent, heb je ze vast al eens voorbij zien komen: de beruchte 30/15-intervallen. Hierbij geef je dertig seconden vol gas, gevolgd door vijftien seconden rust, en dat herhaal je dan tot je scheel kijkt van de inspanning.
Deze vorm van intervaltraining werd razend populair nadat de Noorse wetenschapper Bent Rønnestad aantoonde dat deze korte prikkels effectiever waren dan langere blokken.
De wielerwereld dook er massaal bovenop. Weg met de saaie blokken van vijf of acht minuten, dachten we allemaal. Korte intervallen waren de heilige graal. Trainers en renners kopieerden de workouts blindelings, bang om de boot te missen. Maar zoals wel vaker in de sportwetenschap, blijkt het verhaal toch iets genuanceerder te liggen dan we in eerste instantie dachten.
Appels met peren in de wetenschap
Wielertrainer Roberto Vukovic deelde onlangs een interessante analyse die het blinde geloof in die korte intervallen flink aan het wankelen brengt. Wat blijkt namelijk? In de oorspronkelijke onderzoeken was de vergelijking niet helemaal eerlijk. De groep die de korte 30/15-intervallen deed, leverde in totaal vaak meer vermogen en trainde langer op hoge intensiteit dan de groep die de langere blokken afwerkte.
Het is logisch dat je beter wordt als je harder en meer traint. Het lag dus niet per se aan de magische structuur van dertig seconden actie, maar simpelweg aan de totale trainingsbelasting. Het was een klassiek geval van appels met peren vergelijken, waarbij de ene fruitmand gewoon veel voller zat dan de andere.
Langere blokken net zo effectief
Recentere onderzoeken trekken die scheve vergelijking recht. Als je zorgt dat de totale hoeveelheid werk en de intensiteit precies gelijk zijn, verdwijnt het wonderbaarlijke voordeel van de korte intervaltraining als sneeuw voor de zon. Of je nu kiest voor vier keer acht minuten of een ingewikkelde reeks van korte sprints: het resultaat is nagenoeg hetzelfde.
Onderzoekers noemen dit ook wel ‘self-pacing’. Als renners hun eigen tempo mogen indelen om een bepaald fysiologisch doel te bereiken, maakt de exacte vorm van de intervaltraining nauwelijks nog uit. Je lichaam is namelijk geen rekenmachine die in de war raakt van een ander format. Je lijf registreert simpelweg hoe lang de hartslag hoog is en hoeveel vermogen er wordt geleverd. Zoals Vukovic het treffend omschrijft: “Het lichaam lost de vergelijking zelf voor je op.”
Simpelheid vaak sleutel tot succes
Voor de fanatieke wielrenner is dit eigenlijk heel goed nieuws. Het betekent dat je niet neurotisch op je fietscomputer hoeft te staren om precies dertig seconden te timen. De beste intervaltraining is vaak degene die je consequent kunt uitvoeren zonder dat je er een wiskundige voor hoeft te zijn.
Houd het daarom simpel. Voor de meeste fietsers is twaalf tot vijfentwintig minuten aan kwaliteitswerk per sessie meer dan genoeg. Denk aan vijf blokjes van vijf minuten, of vier keer acht minuten als je wat meer ervaring hebt. Zolang je maar in de juiste zone traint.
Consistentie wint het van complexiteit
Laat je dus niet gek maken door de laatste trends of ingewikkelde grafieken. Het zoeken naar de perfecte intervalvorm leidt vaak alleen maar af van waar het echt om draait. Vraag jezelf liever af hoeveel tijd je in totaal op hoge intensiteit doorbrengt en of je daarvan kunt herstellen.
Consistentie in je training is vele malen belangrijker dan die ene perfecte sessie met een hip protocol. Uiteindelijk gaat het erom dat je het week in week uit volhoudt, en dat gaat nu eenmaal makkelijker als je schema geen hogere wiskunde vereist.