De nummer 1 fout die bijna elke wielrenner maakt met zijn stuurhouding

Je investeert in de beste onderdelen en kleding, maar trap je onbewust zelf op de rem door hoe je op de fiets zit?

Mannelijke wielrenner op een racefiets met gestrekte armen en opgetrokken schouders, rijdend op een natte weg in een winters Nederlands polderlandschap.

Veel fietsers investeren duizenden euro’s in een fijne fiets, een professionele bikefitting en aerodynamische wielen. Toch stappen ze na twee uur rijden af met een stijve nek of tintelende vingers.

De eerste gedachte is vaak dat de afstelling van de fiets niet deugt, of dat het zadel te hoog staat. Hoewel dat zeker een rol kan spelen, ligt de oorzaak verrassend vaak bij de renner zelf. Of beter gezegd: bij hoe jij je armen en handen op het stuur positioneert.

Het is een klassiek beeld op het fietspad. Een wielrenner die als een zoutzak op zijn fiets hangt, met de armen volledig gestrekt. Als je ellebogen ‘op slot’ zitten, schakel je direct je belangrijkste schokdempers uit. Elke klinker, elk putje en elke drempel dreunt in die houding namelijk dwars door je armen heen, rechtstreeks naar je schouders en nekwervels. Het resultaat is die bekende, zeurende pijn tussen de schouderbladen.

Je armen zijn je beste vering

De oplossing klinkt simpel, maar vereist wel wat discipline om aan te leren. Je moet je armen zien als de vering van je fiets. Door je ellebogen licht te buigen, creëer je een natuurlijk veersysteem. Klappen van het wegdek worden opgevangen door je spieren (triceps en biceps) in plaats van door je gewrichten en wervelkolom.

Een goede vuistregel is dat je schouders altijd laag moeten blijven, zo ver mogelijk bij je oren vandaan. Zodra je merkt dat je schouders omhoog kruipen richting je oren, zit je waarschijnlijk te gespannen. Blaas een keer goed uit, laat die schouders zakken en buig je ellebogen. Je zult merken dat je direct meer controle over je fiets hebt, zeker in bochten of op slecht asfalt.

Voorkom de knik in je polsen

Naast de ellebogen gaat het ook vaak mis bij de polsen. Veel renners hebben de neiging om hun polsen te laten ‘knikken’ wanneer ze de shifters vasthouden. Hierdoor komt er onnodig veel druk op de zenuwbanen in je handpalm, wat die vervelende slapende of tintelende vingers veroorzaakt.

Probeer een zo recht mogelijke lijn te houden van je onderarm naar je hand. Je handen moeten ontspannen op de shifters rusten, zonder dat je erin knijpt alsof je leven ervan afhangt. Wissel bovendien regelmatig van positie. Pak het stuur eens bovenop vast (wel oppassen dat je snel bij de remmen kunt) of ga even in de beugels zitten. Die variatie zorgt voor een betere doorbloeding en voorkomt dat je langdurig één punt belast.

Core stability is de basis

Er is wel een voorwaarde om met die ontspannen, gebogen armen te kunnen fietsen: je rompspieren moeten het werk doen. Als je core stability onvoldoende is, ga je als vanzelf op je stuur leunen om je bovenlichaam te ondersteunen. Je armen fungeren dan als steunpilaren in plaats van schokdempers.

Merk je dat je het moeilijk vindt om je ellebogen gebogen te houden? Dan is dat vaak een teken dat je buik- en rugspieren sterker kunnen. Door aan je core te werken, draagt je romp je bovenlichaam en kunnen je handen en armen zich focussen op het sturen en remmen. Het is even wennen, maar uiteindelijk levert het je niet alleen meer comfort op, maar ook gratis snelheid. Een renner die ontspannen en laag op de fiets zit, vangt immers een stuk minder wind.