Het was een zaterdag voor de geschiedenisboeken. De Noorse schaatser Sander Eitrem reed op de ijsbaan van Inzell een 5 kilometer zoals niemand dat ooit had gedaan: voor het eerst dook een atleet onder de magische grens van 6 minuten.
Een prestatie van formaat die direct online de aandacht trok, maar niet alleen vanwege de eindtijd. Al snel ging het over de motor achter deze prestatie: het brute vermogen dat Eitrem leverde.
De kille cijfers: Is 6,1 W/kg echt zo speciaal?
Experts en data-analisten doken direct op de cijfers. Een atleet van 1,90 meter en zo’n 90 kilogram die met een gemiddelde van ruim 51 km/u over het ijs vliegt, moet een gigantisch vermogen leveren. De schattingen, onder andere van schaatsinstructeur Matthijs de Vries, kwamen uit op een netto vermogen van 520 tot 550 watt, volgehouden voor bijna 6 minuten. Dat komt neer op ongeveer 6,1 watt per kilogram lichaamsgewicht.
Voor de doorgewinterde wielerfan gaat er dan meteen een belletje rinkelen. Op sociale media verscheen al snel de opmerking dat 6,1 W/kg voor 6 minuten ‘in het huidige profwielrennen niet uitzonderlijk’ is. Topwielrenners, en dan met name de klimmers en tijdrijders, kunnen voor een dergelijke duur inderdaad hogere waardes per kilogram trappen. Is de prestatie van Eitrem dan toch minder indrukwekkend dan het lijkt?
Waarom je schaatsen niet met fietsen moet vergelijken
Het antwoord is een volmondig nee. De vergelijking op basis van watt per kilogram gaat namelijk volledig mank, en dat is waar het echte verhaal begint. De Vries benadrukt het cruciale verschil: het is biomechanisch veel zwaarder om vermogen te leveren op schaatsen dan op een fiets. Een wielrenner zit relatief stabiel op een zadel en kan de kracht efficiënt en direct overbrengen op de pedalen.
Een schaatser daarentegen moet in een diepe, onstabiele houding constant zijn eigen lichaamsgewicht dragen en zich zijwaarts afzetten op flinterdunne ijzers. Dit vraagt een enorme inspanning van de romp en benen die je als fietser niet op die manier hoeft te leveren.
Het absolute vermogen van 550 watt is op een vlak parcours, zoals een ijsbaan, dan ook veel belangrijker dan de W/kg-verhouding die vooral in de bergen telt. En geloof ons, 550 watt voor 6 minuten is een prestatie die voor vrijwel elke sporter, inclusief de allerbeste wielrenners, een immense opgave is.
Ter vergelijking - of dus eigenlijk juist niet ter vergelijking: Jay Vine reed onlangs in een klim van 7 minuten tijdens de Tour Down Under nog gemiddeld 7,8 w/kg. Veel meer dus dan de 6,1 van Eitrem, maar op de fiets en door een veel lichter mannetje, dat voor een lager absoluut vermogen zorgt.
De ware vijand blijft voor iedereen gelijk
Waar de vergelijking wel interessant wordt, is bij de luchtweerstand. Voor zowel schaatsers als wielrenners (en dan met name tijdrijders) is dit de grootste vijand. De bekende formule P = µ * snelheid³ laat zien dat het benodigde vermogen exponentieel toeneemt naarmate je harder gaat. Elke kilometer per uur extra vraagt om een disproportionele toename in kracht.
De discussie over de invloed van luchtdruk en temperatuur, die ook in de tweets naar voren kwam, is een detail dat de echte data-nerds zal bekoren. Het laat zien hoe alle factoren moeten kloppen voor een wereldrecord. De prestatie van Eitrem, in die context geplaatst, wordt daardoor alleen maar indrukwekkender.
De onbetwiste koning van het ijs
Dus, wie is nu de koning van het vermogen? De vraag is verkeerd gesteld. Het is als het vergelijken van een Formule 1-auto met een rallywagen. Beide zijn extreem krachtig, maar gebouwd voor een compleet andere uitdaging. De prestatie van Sander Eitrem is geen aanleiding voor wielrenners om te lachen, maar juist een reden voor diep respect.
Het geeft ons een zeldzaam inkijkje in de fysiologische wonderen van de topsport. Het laat zien dat achter elke historische prestatie een wereld van data, biomechanica en bovenal een onmenselijke inspanning schuilgaat. En dat is iets wat elke sportliefhebber kan waarderen.
- NL Beeld