Mathieu van der Poel als een bobsleeër
Stefan Deckx is Bewegingsanalist van de Universiteit Antwerpen. Hij keek namens het magazine Knack naar de techniek van Mathieu van der Poel in Parijs-Roubaix. Hij constateerde dat de drievoudig-winnaar van de Hel van Het Noorden uniek is in zijn soort. "Mathieu van der Poel gebruikt naast zijn twee grote motoren, namelijk zijn benen, op kasseien ook twee kleinere motoren: zijn armen."
Deckx legt uit: "Als hij zijn linkerbeen naar beneden duwt, duwen zijn armen de fiets vooruit. Precies zoels bobsleeërs bij de start van hun race doen: bij het uitstrekken van hun heup en been pushen ze hun slee. Tegelijk schuift Van der Poel op het zadel naar voren en bij de volgende trap, met het rechterbeen, opnieuw naar achteren. Terwijl veel renners hun stuur gewoon vasthouden, voegt hij een voorwaartse dimensie toe."
En dat zorgt er weer voor dat hij fysiek ook de overhand neemt ten opzichte van velen. "Het gebeurt in een perfect ritme: push, terug, push, terug. Een extra voordeel is dat hij op die manier zijn achterste spierketen – onder meer de grote bilspier, hamstring en kuitspieren – volledig gebruikt en zo zijn kracht optimaal kan benutten."
Van der Poel zijn fenomenale bochtentechniek
In de bochten is Van der Poel ook superieur ten opzichte van bijna iedereen in Parijs-Roubaix. Dat heeft volgens Deckx ook alles te maken met zijn positie op de fiets. "Voor een bocht naar links zet hij met de rechterkant van zijn bekken en achterwerk zijwaartse druk op het achterwiel – en omgekeerd voor een bocht naar rechts."
"Hij stuurt zo mee de bochten aan met zijn achterwiel. Vergelijk het met de oplegger van een vrachtwagen, waarbij de wielen ook kunnen meedraaien. Van der Poel kan zo de bochten in een optimale boog afwerken, zonder tractie en veel snelheid te verliezen, en met minder kans dat zijn stuur dicht plooit en hij valt."