Leon Janssen
Columns

Asfalt-safari: hoe twee tienermeisjes die 'iieeeuuw een wielrenner!' riepen mijn rit verziekten

Wat begon als een heerlijk vroeg lenteritje in kort-kort, eindigt in een vervelende confrontatie met wielerhaat. Onze redacteur werd nageroepen door twee tienermeisjes en duikt in de absurde wereld van vooroordelen op de fiets.

Leon Janssen
wielrennen
Fietsen

Wij wielrenners maken van alles mee onderweg: van verrassende bezienswaardigheden tot hachelijke verkeerssituaties en bijzondere ontmoetingen. In de rubriek 'Asfalt-safari' nemen we je mee in de avonturen van onze redactieleden, met deze week twee tienermeisjes die 'iieeeuuw een wielrenner!' riepen.

Het kon niet op: kort-kort in begin maart

Kort-kort in begin maart, wie had dat gedacht? Het was pas mijn derde ritje van het jaar en officieel nog winter, maar de zon en de verrassend aangename temperatuur stonden het toe om met korte mouwen en korte broek op de fiets te stappen. Heerlijk, maar er was één probleem: mijn lichaam was nog ongeschikt voor kort-kort in het openbaar.

Toch sprong ik zelfverzekerd op mijn stalen ros en begon ik aan mijn ritje. Na een paar minuten was ik de twijfels over mijn iets te zware lijf na een iets te lange winter alweer kwijt. Ik reed een heerlijk rondje en genoot van het moment, de lente hing immers in de lucht. Ik zag kinderen buitenspelen. Ik zag volle terrassen. Ik zag vriendinnen picknicken aan het water. En ik zag fietsers. Héél veel fietsers.

Bij momenten leek het fietspad op een oranje hindernisbaan. Ironisch genoeg gebruikte ik als wielrenner als enige zijn fietsbel, maar dat geheel terzijde. Het mocht de pret niet drukken, want zelfs van deze drukte op het fietspad werd ik deze middag vrolijk. Het kon niet op, zo leek het, maar even later was van deze stemming niets meer over.

Twee tienermeisjes riepen mij lachend na

Het gebeurde op een fietspad langs een drukke weg, net na een brug. Ik naderde met een behoorlijke vaart twee tienermeisjes. Ze waren druk in gesprek, inclusief veel gelach en allerlei handgebaren, dus ik besloot mijn fietsbel ruim voor het inhalen in te zetten. Het linker tienermeisje hield direct in en maakte netjes ruimte. Ze keek nog even om, zag mij en begon te giechelen. 'Prima, dat doen tienermeisjes nu eenmaal', dacht ik en ik fietste hen voorbij.

Het tweede tienermeisje was minder gediend van mijn aanwezigheid en riep mij lachend na: "Iieeeuuw, een wielrenner!" Aangestoken door haar metgezel riep het andere meisje erachteraan: "Inderdaad, iieeeuw!"

Een doorgegeven sentiment, iets uit de opvoeding

In eerste instantie dacht ik dat het om mijn nog-niet-geschikte-kort-kort-lichaam was, maar al snel kwam ik tot de conclusie dat het iets anders moest zijn. Het is tegenwoordig een ingeburgerd dingetje om wielrenners in bepaalde kringen te verafschuwen. Dat beeld wordt steeds erger; ik word bijna iedere rit minstens één keer afgesneden door een auto of boos aangekeken door een tegemoetkomend en breed fietsend e-bike-echtpaar.

Maar, dacht ik, waarom roepen tienermeisjes mij na? De grootste ergernis over wielrenners komt voort uit situaties die automobilisten meemaken. En daar hebben tienermeisjes, zonder rijbewijs, totaal geen weet van. In mijn hoofd maakte ik ervan dat het een doorgegeven sentiment was, iets uit de opvoeding. De vader van het meisje dat mij als eerste nariep, móést wel een echte wielerhater zijn.

'Haar vader snijdt graag wielrenners af achter het stuur'

Het vervolg van mijn rit stond volledig in het teken van het schetsen van de gezinssituatie van dit meisje. Haar vader, de wielerhater, had sowieso een SUV-achtige auto. Een BMW, gokte ik. Op sociale media en Dumpert vindt hij het heerlijk om anoniem zijn gal te spuwen over wielrenners.

Hij snijdt ze ook graag af als hij achter het stuur zit. Of hij haalt vrolijk een auto in op een smalle dijk, terwijl een wielrenner hem tegemoetkomt. Dat soort acties, mét zijn dochter op de achterbank. En hij lacht erbij: 'Haha, weer zo'n k*t wielrenner, die geven we even een koekje van eigen deeg.' Mijn prachtige rit was verziekt.

Eenmaal thuis besloot ik nog even in de zon te zitten om alle irritatie van mij af te laten glijden. Met succes: de irritatie maakte plaats voor trots op mijn eerste rit van 50+ kilometer van het jaar. Ik was weer bij zinnen gekomen en klaar voor een welverdiende, lange, warme douche. Ik liep naar de badkamer, zette de douche aan en kleedde mij uit. Vlak voordat ik de douche instapte keek ik nog even in de spiegel. Ik zag mezelf en grijnsde: 'Iieeeuuw, een wielrenner!'