Pelotonpraat

Waarom water drinken tijdens de koers vroeger streng verboden was (maar ze wel massaal aan de cognac zaten)

Stel je voor dat je na honderd kilometer in de brandende zon een bidon aanpakt, maar je ploegleider slaat hem uit je handen omdat water drinken dodelijk zou zijn voor je moraal.

wielrennen
Fietsen
Wielervoeding
Mannelijke vintage wielrenner met helm drinkt uit een aluminium bidon met een flesje cognac in zijn achterzak op een stoffige bergweg.

In de huidige koers wordt elke calorie geteld en elke milliliter vocht gewogen, maar wie een blik werpt in de geschiedenis van de wielersport komt in een volstrekt andere wereld terecht. Het was een tijd waarin de verzorgers langs de weg meer leken op alchemisten dan op voedingsdeskundigen.

Terwijl de moderne prof zijn bidon met isotone sportdrank koestert, was de renner van honderd jaar geleden aangewezen op een regime dat vandaag de dag direct tot een ziekenhuisopname of een ritje in de bezemwagen zou leiden.

De harde wetten van de uitdroging

In de begindagen van de Tour de France en andere grote klassiekers heerste er een bizarre overtuiging onder verzorgers en renners. Water werd niet gezien als een noodzakelijke brandstof voor het lichaam, maar als een vijand.

Men geloofde oprecht dat het drinken van water de spieren week zou maken en dat een renner daardoor zijn kracht en doorzettingsvermogen zou verliezen. Het was een tijd waarin 'karakter' belangrijker was dan fysiologie. Als je dorst had, moest je dat simpelweg verbijten. Dit leidde tot mensonterende taferelen waarbij renners uit pure wanhoop in sloten sprongen of bij boeren op het erf de drinkbakken van het vee leegdronken.

Cognac als brandstof voor de benen

Terwijl een fris glas water uit den boze was, keek men vreemd genoeg niet op van een flinke scheut alcohol. Sterker nog, het was volkomen normaal om bidons te vullen met een mengsel van wijn, bier of zelfs champagne. Voor de echte diepe dalen hadden veel renners een klein flesje cognac of whisky in hun achterzak.

Men dacht dat de alcohol de pijn verzachtte en de renners de nodige moed gaf om de volgende Alpenreus te bedwingen. In de praktijk zorgde het natuurlijk vooral voor een tijdelijke verdoving en een nog grotere uitdroging, maar dat mocht de pret in de vroege twintigste eeuw niet drukken.

Biefstukken in de vroege ochtend

Niet alleen het drinken was een fysiologisch mijnenveld, ook de vaste voeding was gebaseerd op mythes in plaats van wetenschap. Waar de moderne prof nu nauwkeurig zijn grammetjes havermout afweegt, schoof de renner van weleer gerust een dikke biefstuk naar binnen om zes uur in de ochtend.

Het idee was dat je voor een zware rit zware voeding nodig had. De maag kreeg het zwaar te verduren terwijl het bloed dat nodig was voor de benen, massaal naar de spijsvertering vertrok. Het is een wonder dat de gemiddelde snelheid in die jaren nog zo hoog lag, gezien de gastronomische hindernisbaan die de renners moesten afleggen.

De omslag naar vloeibaar goud (water dus...)

Pas diep in de jaren zestig begon het besef in te dalen dat uitdroging de grootste vijand van de prestatie is. Verzorgers begonnen in te zien dat een goed gehydrateerde renner simpelweg sneller fietst en minder snel bezwijkt onder de hitte.

De bidon werd een heilig onderdeel van de uitrusting en de cognac verdween langzaam maar zeker naar de kelder. Tegenwoordig kijken we met een mengeling van afschuw en bewondering terug op die pioniers die op een dieet van rode wijn en biefstuk de meest verschrikkelijke cols bedwongen. Het was een andere tijd, waarin de koers nog een strijd was tegen de natuurwetten zelf.