Het is een van de grootste zekerheden voor wie op de fiets de grens oversteekt. Het ene moment zoef je in een staat van pure gelukzaligheid over een spiegelglad, zwart biljartlaken. Het volgende moment betreed je een post-apocalyptisch maanlandschap van scheuren, bulten en lukraak gestorte flarden asfalt. Je fiets protesteert, je armen vangen de klappen op en je vraagt je af: hoe kan dit?
En nee, dit is absoluut geen inbeelding of een overdreven wielerklacht. De cijfers liegen er niet om. Volgens het World Economic Forum prijkt Nederland trots op de eerste plaats in Europa als het gaat om de kwaliteit van het wegennet, met een bijna perfecte score van 6,4 op 7.
En België? Dat bungelt ergens op een 21e plek, met een magere 4,4. Het is dus geen gevoel, het is een keihard, meetbaar feit. Maar wat is de reden achter dit gapende gat?
Een koninkrijk van chaos
De voornaamste reden voor de bedroevende staat van het Belgische wegdek is politieke versnippering. Waar in Nederland Rijkswaterstaat de scepter zwaait, is het beheer in België een complex mozaïek.
De federale overheid, de gewesten (Vlaanderen, Wallonië, Brussel) en de gemeenten hebben allemaal een stukje van de taart. Deze lappendeken van verantwoordelijkheden zorgt ervoor dat een uniforme, planmatige aanpak onmogelijk is. Iedereen repareert zijn eigen stukje, vaak zonder overleg, wat resulteert in de beruchte ‘rammelstroken’ die we allemaal kennen.
De snelle pleister regeert
Deze versnippering leidt tot een ander probleem: kortetermijndenken. Omdat budgetten beperkt zijn en de politieke wil soms ontbreekt, wordt er structureel gekozen voor de goedkoopste en snelste oplossing.
Een diepe scheur wordt niet fundamenteel aangepakt, maar volgegoten met een klodder asfalt. Dit lapwerk is een snelle pleister op een slagaderlijke bloeding. Op de korte termijn lijkt het een oplossing, maar het onderliggende probleem wordt genegeerd, waardoor dezelfde scheur een jaar later weer vrolijk tevoorschijn komt.
De Ardennen als eindbaas
En als je denkt dat het niet erger kan, probeer dan eens een tocht door de Ardennen. Daar bereikt de rampspoed een heel nieuw niveau. De schuldige? Een combinatie van Moeder Natuur en de heuvelachtige geografie.
Water is de grootste vijand van asfalt en in de Ardennen kan het geen kant op. Het stroomt van de hellingen, verzamelt zich op de wegen en sijpelt in de kleinste scheurtjes. Voeg daar de koudere winters aan toe, en je hebt het perfecte recept voor desintegratie.
Het water bevriest, zet uit en blaast het asfalt van binnenuit op. Elke vorstperiode is als een sloophamer voor het wegdek, met een maanlandschap vol diepe kraters en afbrokkelende randen als onvermijdelijk resultaat.
Waarom het Nederlandse asfalt je beste vriend is
Het verschil zit hem ook in het materiaal. Nederland zweert bij Zeer Open Asfalt Beton (ZOAB), dat niet alleen stiller is, maar ook regenwater razendsnel afvoert. Dit vermindert aquaplaning en opspattend water.
In België is dit type asfalt veel minder gangbaar. Het gevolg merk je direct bij een regenbui: een gevaarlijke spray die je zicht belemmert en verraderlijk gladde stroken. Het draagt allemaal bij aan dat onveilige en oncomfortabele gevoel dat je bekruipt zodra je de grens over bent. Voorlopig zit er dus niets anders op dan je schrap te zetten en je te verheugen op de terugweg.