Zelf in het zadel

Stop met trekken aan je pedalen: waarom ‘rond trappen’ de grootste fabel in het wielrennen is

Leer jij jezelf nog steeds aan om bij elke pedaalslag je voet actief omhoog te trekken? We duiken in de wetenschap achter de perfecte pedaalslag en ontkrachten een hardnekkig fietscliché.

André van den Ende
3 minuten
wielrennen
Wielertraining
Close-up van de onderkant van een moderne racefietsschoen met schoenplaatje, vlak boven een fietspedaal en het asfalt.

Het is een van de eerste adviezen die je als beginnende wielrenner naar je hoofd geslingerd krijgt door ervaren fietsmaatjes. Zodra je de overstap maakt naar klikpedalen, moet je leren om 'rond te trappen'.

Het klinkt als een uiterst logische en efficiënte theorie. In plaats van alleen maar lomp naar beneden te stampen, gebruik je de opwaartse beweging om aan het pedaal te trekken. Je moet de beweging maken alsof je modder van de zool van je schoen schraapt. Door de hele cirkel te benutten, zou je je krachten veel beter verdelen en eindeloos veel sneller rijden.

'Duwen, trekken, duwen, trekken...'

Hele generaties fietsers hebben urenlang getraind op deze bewuste trekbeweging. Als ploegleider stond Joop Zoetemelk bij de renners bekend om zijn mantra 'duwen, treken, duwen, trekken'.

Toch blijkt deze hele filosofie van de perfecte, continue krachtcirkel gebaseerd te zijn op een gigantische misvatting. Als we kijken naar de keiharde data van biomechanische onderzoeken, zien we dat vrijwel niemand daadwerkelijk rond trapt. Zelfs de absolute wereldtop niet.

Het keiharde bewijs uit het laboratorium

Wanneer bewegingswetenschappers profwielrenners op een testfiets zetten met geavanceerde krachtmeters in de pedalen, ontstaat er een fascinerend beeld. Je zou verwachten dat deze atleten op elk punt van de cirkel power leveren.

De realiteit is een flinke domper voor de voorstanders van het rond trappen. Tijdens de opwaartse beweging van het been leveren profs nagenoeg geen trekkracht. Sterker nog, het been dat omhoog komt levert vaak zelfs een lichte negatieve weerstand op.

Wat profs extreem goed doen, is domweg snoeihard naar beneden duwen. Het overgrote deel van het vermogen wordt geleverd tussen de 'één uur' en 'vijf uur' positie van de pedaalslag. De spieren die je gebruikt om je been op te tillen, zoals de heupbuigers, zijn piepklein en relatief zwak.

Als je deze spiertjes dwingt om actief mee te helpen met de aandrijving van je fiets, verzuren ze razendsnel. Het kost je lichaam exponentieel meer zuurstof en energie om die kleine spieren aan te sturen dan het oplevert aan extra snelheid. Je bent jezelf letterlijk aan het uitputten met een inefficiënte techniek.

Het geheim zit in de dode punten

Waarom zeggen al die trainers en fietshandleidingen dan toch dat je aan je pedaalslag moet werken? Dat heeft alles te maken met de dode punten op 'twaalf uur' en 'zes uur', de momenten waarop je pedalen verticaal staan. Op deze punten kun je simpelweg geen kracht naar beneden leveren.

De echte winst zit niet in het omhoog trekken van je hiel, maar in het vloeiend door deze dode punten heen glijden. De betere fietser duwt de voet net voor het hoogste punt al iets naar voren, en trekt de voet op het laagste punt soepel naar achteren, alsof je de pedaalslag net iets langer maakt.

Voor de rest van de opwaartse beweging is de opdracht heel simpel: ontspan je been. Haal het gewicht van je voet af, zodat het been dat op dat moment naar beneden stampt niet het dode gewicht van je andere been hoeft op te tillen.

Bewaar het trekwerk voor de eindsprint

Is het vastgeklikt zitten in je pedalen dan helemaal nutteloos? Zeker niet. Je voet kan niet van het pedaal schieten bij een onverwachte hobbel en je staat altijd in de biomechanisch meest efficiënte positie. Bovendien is er één moment waarop dat beruchte trekken aan de pedalen wél functioneel is: pure overlevingsdrang.

Tijdens een explosieve eindsprint uit het zadel, of wanneer je harkenend een loeisteile muur van twintig procent probeert te overleven met een lage trapfrequentie, zet je alles in. Op dat moment gebruik je letterlijk elke spiervezel in je lichaam om de fiets vooruit te krijgen, inclusief het trekken aan je schoenplaatjes.

Maar zodra je weer in het zadel zit voor de resterende negenennegentig procent van je rit, mag je die theorie direct weer overboord gooien. Focus op een krachtige duw en een ontspannen terugreis, en laat de mythe van de perfecte cirkel voor wat het is.