Iedere wielrenner droomt van dat perfecte moment op een klim. Je voelt de verzuring in je bovenbenen, je kijkt naar de top van de heuvel die nog een paar honderd meter verder ligt, en je besluit de aanval in te zetten. Je grijpt de stuurbeugels vast, komt stoer uit het zadel en begint te 'dansen' op de pedalen, net zoals de profs op televisie.
Maar de realiteit is vaak pijnlijk anders. In plaats van een explosieve versnelling op de steile strook, valt je snelheid onmiddellijk dood. Je fiets voelt plotseling loodzwaar aan. Je harkt, je zwoegt en je benen draaien met de snelheid van een bejaarde schildpad in het rond.
Je ademhaling schiet direct in het rood en na vijftien seconden plof je, volledig uitgeput en gedesillusioneerd, weer terug op je zadel. Terwijl je fietsmaatjes soepel wegdraaien richting de top. Wat gaat er mis? Waarom lukt het staand klimmen (in goed wielerjargon: en danseuse rijden) je maar niet?
De fout zit hem niet in je beenkracht of je conditie. Het zit hem puur in de bediening van je materiaal nét voordat je opstaat tegen de zwaartekracht in.
De fatale fout: de verkeerde versnelling
Het grootste probleem ontstaat doordat beginners vergeten waarom ze gaan staan. Wanneer je uit het zadel komt op een klim, verander je de hele biomechanica van je trapbeweging. Je gebruikt niet meer alleen je beenkracht om de pedalen rond te duwen; je zet plotseling je volledige lichaamsgewicht in.
Wanneer je met je hele gewicht op een pedaal gaat staan, lever je in één klap enorm veel meer kracht. Als je op dat moment de versnelling (de ketting) op hetzelfde lichte tandwieltje laat staan als waarop je net nog comfortabel zittend aan het klimmen was, is er simpelweg te weinig weerstand voor die plotselinge toename aan druk. Je trapt letterlijk 'door je versnelling heen'.
Omdat je geen weerstand voelt, kun je de opwaartse zwaai van de fiets niet controleren. Je benen vallen als dode blokken naar het laagste punt. De vloeiende cirkelbeweging is weg en de fiets valt vrijwel stil bij elk dood punt in de pedaalslag (wanneer je pedalen verticaal staan). Het resultaat is het beruchte, zompige 'stroop'-gevoel waardoor je de klim verliest.
De gouden regel: één of twee tandjes zwaarder
De oplossing voor dit probleem is de allerbelangrijkste ongeschreven regel van het klimmen: schakel één of twee versnellingen zwaarder nét vóórdat je uit het zadel komt.
Zit je op een helling en besluit je te gaan staan? Klik één of twee tandjes zwaarder op je achterderailleur. Direct daarna kom je vloeiend uit het zadel. Omdat de versnelling nu zwaarder is, kan je fiets het gewicht van je lichaam perfect dragen. Je voelt een solide weerstand onder je voet, waardoor je de fiets gecontroleerd van links naar rechts kunt wiegen en je het momentum heuvelopwaarts behoudt. Zodra je de krampen voelt opkomen en weer wilt gaan zitten, schakel je gelijktijdig weer één of twee tandjes lichter terug, zodat je zittend je soepele trapfrequentie weer kunt oppakken.
Duw niet je stuur, maar trek eraan
De tweede grote fout is wat je met je bovenlichaam doet. Beginners leunen vaak zwaar, met gestrekte armen, op het stuur wanneer ze gaan staan op een helling. Hierdoor verplaats je al je gewicht naar het voorwiel. Je achterwiel verliest tractie (hij kan zelfs gaan slippen op steil, nat asfalt) en je voorwiel wordt onbestuurbaar zwaar.
Wanneer je en danseuse fietst, duw je het stuur niet naar beneden; je trekt eraan. Als je met je rechtervoet op het pedaal stampt, trek je tegelijkertijd met je linkerhand aan het stuur, waardoor de fiets iets naar links kantelt (weg van je voet). Bij de linkervoet trek je met je rechterhand. Zo creëer je die hypnotiserende, wiegende beweging waarbij je lichaam in het midden blijft, en de fiets onder je heen en weer danst de berg op.
Oefen deze combinatie van zwaarder schakelen en het stuur 'kantelen' op een rustig lokaal heuveltje. Het kost even coördinatie, maar zodra het kwartje valt, transformeer je van een harkende beginner in een soepele klimgeit.