Blockhaus was afgelopen vrijdag de eerste echte test deze Giro d'Italia. De maskers gingen af en het werd duidelijk dat Egan Bernal zeker niet tot de beste klimmers van de ronde hoort. Hij eindigde uiteindelijk 21ste op 2.57 minuten van winnaar Jonas Vingegaard. Hij zat in dezelfde groep als leider Afonso Eulálio.
Bernal op hoger niveau dan ooit
Op het eerste oog niet het resultaat waar Bernal voor zou komen, want als oud-winnaar van de Tour de France (2019) en Giro d'Italia (2021) wordt er meer van hem verwacht. Ondanks dat hij na zijn zware blessure van begin 2022 nooit helemaal is teruggekeerd op zijn oude niveau. Althans, dat is schijn, want Bernal rijdt naar eigen zeggen op hoger niveau dan ooit.
Alleen heeft hij één probleem: hij heeft minder grote stappen gezet dan de rest van het peloton. Bernal was dan ook niet geheel ontevreden met zijn optreden op Blockhaus. "Het is misschien raar om te zeggen, maar ik voelde me heel goed. Ik kon goed blijven pushen", vertelt de kopman van INEOS Grenadiers in gesprek met The Cycling Podcast.
Bernal vertelt vervolgens dat hij niet te veel naar zijn 'goede cijfers wil kijken.' "Ik verloor hier wel drie minuten, maar naast dat de cijfers goed waren, was ook mijn gevoel goed."
Cijfers niet te vergelijken met Tour de France 2019
De cijfers spreken desondanks voor zich: "Ik deed mijn beste veertig minuten ooit. Ik reed zes watts per kilogram, wat voor mij gewoon heel goed is. Maar uiteindelijk verloor ik alsnog veel tijd. Het is moeilijk dat ik zoveel tijd verlies, maar het is zoals het is. De prestaties van de anderen is niet iets wat ik kan controleren. Ik wil positief zijn en proberen om mijn voordeel uit het tijdsverlies te halen."
Hij kreeg ook nog de vraag hoe de cijfers van Blockhaus zich verhouden met die van zijn Tour de France-zege in 2019. "Ik had toen een andere powermeter, waardoor het niet te vergelijken is", sloot Bernal af.