Het is een kettingreactie die dagelijks op de fietspaden plaatsvindt. Een wielrenner of gravelbiker stapt op zijn fiets en voelt na een paar kilometer een vervelende, drukkende pijn aan de weke delen rondom het kruis. De meest logische, instinctieve menselijke reactie is proberen die druk weg te nemen. Zodra we thuis zijn, pakken we een inbussleutel en kantelen we de neus (de punt) van het fietszadel een flink stuk naar beneden.
Probleem opgelost, toch? De druk op het perineum is inderdaad direct verdwenen. Maar tijdens de volgende lange rit ontstaat er plotseling een heel nieuw pakket aan klachten.
Je handen beginnen te tintelen en voelen doof aan. Er schiet een felle kramp tussen je schouderbladen en je nek voelt alsof hij van lood is. Uit frustratie ga je experimenteren met een kortere stuurpen of dikker stuurlint, zonder resultaat. Wat je je niet realiseert, is dat je met het omlaag wijzen van je zadelneus je lichaam in een onmogelijke biomechanische strijd hebt verwikkeld.
Het sluipende schuifbaan-effect
Wat gebeurt er precies als de neus van je zadel naar beneden wijst? Je hebt je zadel onbewust veranderd in een glijbaan. Zodra je begint te trappen, en zeker wanneer het wegdek wat hobbelig is, glijden je billen door de zwaartekracht langzaam maar zeker naar voren, richting de smalle neus van het zadel.
Je zitbotjes, die gebouwd zijn om je gewicht te dragen op het brede achterste deel van het zadel, verliezen hun steun. Je zakt letterlijk weg. Om te voorkomen dat je van je fiets glijdt, moet je lichaam zich ergens tegenaan afzetten. En het enige punt dat daarvoor in aanmerking komt, is je stuur.
Je armen verliezen hun functie als schokdempers
Om jezelf terug op het brede deel van het zadel te duwen, ga je continu afzetten met je handen tegen de remgrepen. Hierdoor komt er een gigantische, onnatuurlijke druk op je handpalmen te staan, wat de zenuwen afknelt en zorgt voor die beruchte dode vingers.
Maar het domino-effect stopt daar niet. Omdat je jezelf constant naar achteren aan het duwen bent, overstrek je je armen. Je ellebogen slaan op slot. Waar je ellebogen normaal gesproken licht gebogen horen te zijn om de klappen van het asfalt als een vering op te vangen, zijn het nu stijve, onbuigzame stangen geworden. Elke klinker en elk putje in de weg beukt ongedempt via je strakke armen direct door naar je schouders en je nek. Een stijve nek is het onvermijdelijke resultaat van een zadel dat uit het lood staat.
De waterpas liegt niet
De oplossing is pijnlijk simpel. Een fietszadel hoort in de basis altijd perfect horizontaal (waterpas) te staan. Zet je fiets op een vlakke ondergrond en leg letterlijk een bouwmarkt-waterpas in de lengterichting over je zadel.
Staat je zadel waterpas, maar ervaar je toch pijn in de weke delen waardoor je de neiging hebt om de punt omlaag te zetten? Dan heb je simpelweg het verkeerde zadel gekocht. Je hebt waarschijnlijk een zadel nodig met een uitsparing (een gleuf in het midden) om de druk te verlichten, of een zadel in een andere breedtemaat.
Het omlaag kantelen van de zadelneus is een pleister plakken op een botbreuk. Het verplaatst de pijn alleen maar naar de bovenkant van je lichaam. Een zadel mag hooguit één tot twee graden naar beneden kantelen, maar elke millimeter extra verandert je fiets in een glijbaan. Leg die waterpas erop, breng je zadel in balans en voel hoe de rust in je schouders direct terugkeert.