We kennen allemaal wel het moment waarop je na een lekke band langs de weg staat. Je wrikt de buitenband eraf, haalt de kapotte binnenband eruit en pakt je reserve-exemplaar uit je zadeltasje. Zodra je het ventiel door het gaatje van de velg drukt, zie je het. Het ventiel is gigantisch. Het steekt zeker vijf tot acht centimeter boven je lage, aluminium velg uit. Het torent als een schoorsteen boven het wiel uit.
"Ach, zolang er maar lucht in kan, maakt het toch niet uit?" denk je misschien. Mechanisch gezien kun je er inderdaad prima mee fietsen. Toch is het in de wielerwereld een ongeschreven regel die met bijna religieuze felheid wordt bewaakt: je ventiellengte moet perfect matchen met de hoogte van je velg. Waarom winden ervaren renners zich zo op over die paar centimeter uitstekend metaal?
De onbalans in je wielen
Het esthetische aspect is natuurlijk het meest zichtbaar. Een ellelang ventiel op een lage velg (bijvoorbeeld een klassieke 25mm of 30mm hoge velg) ziet er simpelweg knullig uit. Het toont aan dat je niet met aandacht naar je materiaal hebt gekeken toen je het reserveonderdeel kocht.
Maar er schuilt een veel relevanter, natuurkundig probleem achter de 'schoorsteen'. Een ventiel (zeker de lange varianten van 60mm of 80mm) heeft een behoorlijk gewicht. De rest van de fietsvelg is niet verzwaard op één specifiek punt.
Wanneer je met een veel te lang (en dus zwaarder) ventiel gaat rijden, creëer je onbalans in het wiel. Bij hoge snelheden of in een snelle afdaling zorgt dat geconcentreerde gewicht op dat ene punt ervoor dat je wiel begint te 'hobbelen' of te zwabberen. Het is vergelijkbaar met een auto waarvan de wielen niet zijn uitgebalanceerd met loodjes. Je levert letterlijk in op comfort en snelheid, puur door een te lang stukje metaal.
De klapperende tijdbom
Een tweede probleem ontstaat door de middelpuntvliedende kracht (centrifugale kracht) tijdens het fietsen. Als je een heel lang ventiel in een ondiepe velg hebt zitten, is het grootste deel van het ventiel niet ondersteund door de velg.
Terwijl je wiel met dertig kilometer per uur ronddraait, wordt het uitstekende deel van het ventiel door de G-krachten hard naar buiten en heen en weer geslingerd. Omdat het niet goed vastzit (en hopelijk heb je dat metalen borgmoertje, zoals we in een eerder artikel bespraken, al weggegooid), begint het losse ventiel met elke omwenteling keihard tegen de rand van het ventielgat in je carbon of aluminium velg te klapperen.
Dit veroorzaakt niet alleen een ontzettend irritant tikkend geluid ("tik-tik-tik" bij elke omwenteling), maar het ventiel werkt ook nog eens als een mesje. De rand van het velggat schuurt langzaam in de basis van het ventiel, waardoor de binnenband op den duur gaat scheuren en je alsnog lek rijdt.
De perfecte verhouding: meten is weten
Hoe los je dit op? Door simpelweg de juiste binnenband voor de juiste velg te kopen. De algemene, gouden regel in de werkplaats is: het ventiel mag maximaal 2 tot 3 centimeter boven de velgrand uitsteken.
- Heb je platte, klassieke (klim)wielen met een velghoogte van 25mm tot 30mm? Koop dan een binnenband met een kort ventiel van 40mm of 42mm.
- Rijd je met moderne, halfhoge wielen van rond de 40mm tot 50mm? Dan is een ventiel van 60mm perfect.
- En reserveer die extra lange ventielen van 80mm uitsluitend voor de echt diepe, aerodynamische tijdritwielen (60mm+ velghoogte).
Kijk dus vandaag nog even kritisch naar je voor- en achterwiel. Steekt dat ventiel als een lantaarnpaal boven je velg uit? Wissel de band dan om of bewaar hem als uiterste reserve. Je fiets oogt direct strakker en, belangrijker nog, hij draait weer perfect in balans.