We haten het allemaal, die eindeloze polderwegen met windkracht vijf recht in je gezicht. Je instinct zegt dat je een tandje bij moet schakelen, dieper moet zitten en keihard op de pedalen moet stampen om de vaart erin te houden. Dat blijkt in de praktijk echter de absolute doodsteek voor je benen te zijn.
Oud-profwielrenner Tom Danielson, die tegenwoordig wielertrainer is, deelde onlangs tijdens de voorbereidingen op de loodzware gravelrace Unbound zijn opvallende visie op het rijden in de wind. Interessant, want het mag dan in Kansas waaien, in de Nederlandse polders waait het nog veel harder.
Het gevaar van versnellen in de harde wind
De meest gemaakte fout onder wielrenners is de drang om de snelheid krampachtig vast te houden. Zodra de wind toeneemt, zie je veel fietsers onbewust aanzetten. Ze leveren plotseling een enorme krachtsinspanning om dat getalletje op hun fietscomputer niet te ver te laten zakken.
Danielson noemt deze drang om te versnellen een enorme valkuil. Volgens de voormalig klimmer riskeer je hiermee dat je basisvermogen volledig in elkaar klapt. Je blaast je spieren op, de snelheid zakt alsnog weg en het is vervolgens vrijwel onmogelijk om het tempo weer op te pakken. Je hebt op dat moment onnodig veel energie verspild aan een gevecht dat je toch niet kunt winnen van de natuur.
Benader windkracht vijf als een Alpenreus
De oplossing klinkt heel simpel, maar vraagt om een flinke mentale omslag voor de gemiddelde polderfietser. Je moet die open vlakte met harde tegenwind volgens de Amerikaan benaderen alsof je een loodzware bergpas op fietst.
Wanneer je de voet van de Mont Ventoux bereikt, ga je ook niet direct voluit sprinten in een poging je kruissnelheid van het vlakke te behouden. Je kiest een ritme dat je langere tijd kunt volhouden. Want net als aan de Ventoux, lijkt er soms aan zo'n polderweg ook maar geen einde te komen.
"Het draait niet om snelheid", legt Danielson uit. "Het draait om een stabiel, constant vermogen." Rij je een fijn tempo, houd dat dan gewoon vast. Ga niet plotseling harder trappen bij een rukwind, maar laat je benen ook niet volledig stilvallen.
Je hoofd als ultieme aerodynamische wapen
Naast het leveren van een constant vermogen is er nog het aspect van de luchtweerstand. Hoe minder frontaal oppervlak je vangt, hoe minder weerstand je hoeft te overwinnen. Dat je je ellebogen moet buigen en je onderarmen parallel aan het asfalt moet proberen te houden, weten de meeste fanatieke fietsers inmiddels wel.
Er is echter één specifiek detail dat vrijwel niemand toepast. Danielson heeft in zijn carrière ontelbare uren in de windtunnel doorgebracht en kwam daar tot een opvallende ontdekking. Je eigen hoofd blijkt daadwerkelijk de meest effectieve manier te zijn om aerodynamischer op je racefiets te zitten.
Verstop jezelf achter het fietsstuur
Je fietshelm en je gezicht vangen in een normale fietshouding verrassend veel wind. Ze creëren samen een aanzienlijke hoeveelheid luchtweerstand die je flink vertraagt. Door je hoofd bewust een stuk verder omlaag en iets naar voren te brengen, verklein je je totale frontale oppervlakte enorm.
Dit is geen trucje voor een halve minuut, maar een fietshouding die je jezelf moet aanleren voor die lange, winderige stroken. Elke centimeter dat je dieper kunt kruipen zonder dat je nek gaat protesteren, levert direct gratis snelheid op. De volgende keer dat je moet ploeteren in de polder, weet je dus precies wat je te doen staat.