Zelf in het zadel

Waarom de winnaar van de bordjessprint altijd als eerste lost op een lange klim (en het heeft niks met gewicht te maken)

Ben jij onverslaanbaar in sprintjes, maar sta je geparkeerd zodra de weg omhoog loopt? Dat is geen gebrek aan uithoudingsvermogen, maar een harde fysiologische wet (en het heeft niks met je gewicht te maken).

André van den Ende
2 minuten
Klimmen
fietsen in de bergen
Wielertraining
Split-screen van dezelfde wielrenner: links trekt hij een krachtige vlakke sprint, rechts zwoegt en verzurt hij op een steile bergpas bergpas hij op een steile bergbeklimming.

Elk fietsgroepje heeft er wel een rondrijden. Het is die ene renner die de hele rit redelijk anoniem in de wielen zit, maar op tweehonderd meter voor het plaatsnaambordje plotseling een absurde versnelling uit de benen schudt.

Deze sprinters wanen zich vaak onoverwinnelijk op het vlakke asfalt. Toch verandert de dynamiek volledig zodra de groep in de zomer naar de Alpen of Ardennen vertrekt. Op de eerste serieuze beklimming moet de man van de bordjessprint onherroepelijk lossen. Veel renners denken dat dit puur met lichaamsgewicht te maken heeft, maar de echte reden zit verstopt in hun brandstofmotor.

De vloek van een extreem grote suikermotor

Om die waanzinnige versnelling te produceren, beschikt je lichaam over een zogenaamd anaeroob systeem. Binnen de moderne trainingsleer wordt dit ook wel de VLAmax genoemd.

Het is simpel gezegd het vermogen van je lichaam om in een hele korte tijd gigantisch veel suikers te verbranden voor snelle energie. Hoe hoger je VLAmax, hoe harder je kunt sprinten. Maar het bezitten van zo'n enorme suikermotor heeft een grote schaduwzijde voor je ritten over langere afstanden.

Waarom een felle demarrage je duurvermogen in de weg zit

Het probleem van een hoge anaerobe capaciteit is dat deze motor altijd een beetje staat te draaien, zelfs als je rustig fietst. Een lichaam met een grote sprintmotor verbruikt standaard meer suikers en produceert daardoor sneller melkzuur, ook op een gematigd tempo.

Zodra je aan een lange beklimming van een half uur begint, tikt dat genadeloos aan. Je benen produceren simpelweg meer afvalstoffen dan je hart en longen op dat moment kunnen afvoeren. Terwijl de diesels uit je groep stug in hun ritme blijven, loop jij langzaam vol.

De onmogelijke balans tussen sprinten en klimmen

In de fysiologie is het een bekende regel dat sprintvermogen en duurvermogen functioneren als een wipwap. Je kunt ze onmogelijk allebei tegelijk maximaliseren.

Als je wekelijks felle intervaltrainingen doet, korte KOMmetjes aanvalt of elke bordjessprint probeert te winnen, houd je die suikermotor bewust gigantisch groot. Je traint jezelf daarmee ongemerkt om een slechtere klimmer te zijn, omdat je jouw drempelvermogen op lange inspanningen fysiologisch gezien naar beneden drukt.

Je fysiologische profiel gericht ombouwen voor de bergen

Wil je deze zomer eindelijk eens meedoen met de betere klimmers uit je trainingsgroep? Dan zul je een groot offer moeten brengen. Je moet jouw explosieve motor letterlijk in slaap sussen.

Dit doe je door maandenlang de sprintjes volledig te negeren en je uitsluitend te focussen op hele lange, constante blokken net onder je omslagpunt. Het voelt in het begin verschrikkelijk saai en je zult je plaatsnaambordjes waarschijnlijk verliezen. Maar zodra de weg straks kilometerslang omhoog loopt, draai jij de rollen eindelijk een keer om.