Het is de meest instinctieve reflex van iedere wielrenner zodra een stevige tegenwind over het asfalt blaast: zoek het breedste, langste en grootste maatje uit de groep en parkeer je voorwiel daar zo strak mogelijk achter. Het klinkt als perfecte logica. Hoe groter en massiever het obstakel voor je, hoe groter de windvrije bubbel, ook wel de befaamde slipstream genoemd, is waar jij van kunt profiteren.
In theorie klopt deze aanname, maar in de meedogenloze praktijk van de open polder is deze windtactiek vaak een gevaarlijke en uitputtende valkuil. Wat veel fietsers zich namelijk totaal niet realiseren, is dat de lucht pal achter zo’n brede rug allesbehalve stil en vredig is.
De harde klappen van het wasmachine-effect
Om deze aerodynamische misvatting te begrijpen, moeten we inzoomen op wat er daadwerkelijk met de luchtweerstand gebeurt. Als de wind frontaal tegen een brede, rechtop zittende fietser botst, wordt de luchtstroom ruw en bot opengebroken. Zodra de lucht echter voorbij de fietser is, klapt deze met enorme kracht en chaotische wervelingen weer achter hem in elkaar.
Dit fenomeen wordt in windtunnels en de aerodynamica het wasmachine-effect of 'dirty air' genoemd. Hoe slechter en breder de aerodynamica van je voorganger is, hoe heftiger en onvoorspelbaarder deze windstromen achter hem of haar weer samenklappen. En precies in die chaotische, ronddraaiende wervelstorm heb jij in alle onwetendheid je voorwiel gepositioneerd.
Waarom je ongemerkt tientallen watts verspilt
Hoewel de absolute windsnelheid recht in je gezicht waarschijnlijk iets is afgenomen, krijg je in zo'n wiel onophoudelijk te maken met vervelende rukwinden van links, rechts en onder. Je voorwiel krijgt hierdoor constante, kleine zijdelingse tikken en je hele fiets begint merkbaar onrustig aan te voelen.
Zonder dat je het zelf direct in de gaten hebt, zijn je armen, je schouders en je buikspieren keihard aan het werk om je racefiets tegen al deze turbulentie in toch in een rechte, stabiele lijn te houden. De pure trapenergie (de watts) die je theoretisch bespaart doordat je niet vol in de wind fietst, verspil je in een rap tempo weer doordat je bovenlichaam zich helemaal kapot werkt aan deze onbewuste stabilisatie.
Het levensgevaarlijke jojo-effect in het peloton
Naast de ongemerkte energieverspilling is er ook een reëel veiligheidsrisico verbonden aan het rijden in zo'n woelige, slechte slipstream. Door de steeds veranderende en klapperende luchtdruk achter de brede fietser, ontstaat er een zogenaamd jojo-effect. Je fietst het ene moment ogenschijnlijk moeiteloos in een windstil gat, waarna je een seconde later plotseling tegen een dichte muur van wervelende wind klapt en direct je snelheid verliest.
Om te voorkomen dat je de aansluiting met het wiel van de groep kwijtraakt, moet je steeds heel kort en fel aanzetten, waarna je vrijwel direct weer vol in de remmen moet knijpen omdat je opeens te hard richting het achterwiel van je massieve voorganger schiet. Dit onregelmatige, nerveuze tempo is op lange groepsritten fysiek en mentaal absoluut funest.
De aerodynamische kracht van een kleinere renner
De ultieme en voor velen enorm tegendraadse oplossing voor een efficiënte en energiebesparende groepsrit, is het doelbewust kiezen van een veel aerodynamischere, soms zelfs beduidend kleinere voorganger. Een renner die met zijn handen in de beugels extreem diep zit en een vloeiende positie op de fiets heeft, snijdt de wind namelijk veel strakker en geruislozer aan.
De lucht stroomt hierdoor direct een stuk rustiger en veel gecontroleerder over de rug van deze persoon. De slipstream die daar achterblijft is dan weliswaar fysiek iets kleiner van stuk, maar de lucht binnenin die aerodynamische bubbel is uiterst stabiel en windstil. In zo'n strak gesneden wiel hoef je je eigen fiets vrijwel niet meer te corrigeren en bespaar je aan het einde van de streep veruit de meeste energie.