Het is misschien wel de grootste ergernis tijdens een snelle rit met je vaste fietsgroep. Je rijdt soepel mee in de buik van het peloton, maar dan doemt er een scherpe bocht op. De voorste renners vliegen er vloeiend doorheen en trappen vrolijk door. Jij knijpt net iets te hard in de remmen, verliest je momentum en moet vervolgens volle bak sprinten om de aansluiting niet te verliezen.
Dat fenomeen kennen we in het wielerjargon als het elastiek. Doe je dit tien keer per rit, dan weet je zeker dat je bij het bordjessprinten helemaal leeg bent. Gelukkig kun je dit voorkomen door slimmer te anticiperen en je fietstechniek aan te scherpen.
Schakelen voordat je instuurt
Een veelgemaakte fout is dat renners pas gaan nadenken over hun versnelling als ze de bocht al uitkomen. Op dat moment sta je nagenoeg stil en moet je optrekken na een bocht op een veel te zwaar verzet. Dat is funest voor je knieën en kost onnodig veel kracht. Maak er een gewoonte van om vlak voor het remmen al één of twee tandjes lichter te schakelen.
Zodra je de bocht uitrolt, kun je direct op souplesse de snelheid weer opbouwen. Het voelt misschien even onnatuurlijk om lichter te draaien vlak voor een remactie, maar je profiteert er direct van.
De perfecte lijn kiezen scheelt de helft
Hoe minder snelheid je verliest tijdens het sturen, hoe minder je hoeft te repareren. Het goed aansnijden van de bocht is daarom cruciaal voor een efficiënte acceleratie. Gebruik waar mogelijk de buiten-binnen-buiten techniek. Je remt af aan de buitenkant van de weg, stuurt scherp in naar de binnenkant van de bocht en laat de racefiets daarna weer rustig naar buiten lopen.
Door de bocht ronder te maken, houd je veel meer vaart en hoef je veel minder bruusk aan te zetten. Let hierbij uiteraard wel goed op eventueel tegemoetkomend verkeer.
Timing is alles bij het aanzetten
Zodra je de apex, het scherpste punt van de bocht, bent gepasseerd, begint het spel van de snelheid terugpakken. Trap niet te vroeg, want als je fiets nog schuin hangt, loop je het risico dat je binnenste pedaal de grond raakt. Wacht tot je weer nagenoeg rechtop staat. Kom dan kort en krachtig uit het zadel om de fiets op gang te trekken.
Gooi je gewicht iets naar voren en gebruik je armen om de fiets licht heen en weer te wiegen. Met drie tot vier stevige pedaalslagen zit je weer op kruissnelheid en kun je soepel in het zadel ploffen.
Voorspelbaar rijden binnen de groep
Pas je techniek altijd aan op je positie in het peloton. Als je in een grote groep fietst, is voorspelbaarheid flink belangrijker dan de perfecte racelijn. Plotseling scherp insturen of extreem hard remmen veroorzaakt direct paniek achter je. Rem geleidelijk, houd je lijn vast en trek na de bocht ook weer gelijkmatig op.
Zo voorkom je dat de renners achter jou het slachtoffer worden van een nog veel heviger elastiek-effect. Duidelijke communicatie en een vloeiende rijstijl maken je uiteindelijk een geliefde fietser om mee samen te rijden.