Leon Janssen
Columns

Asfalt-safari: Niet-gesoigneerde mannen die enkel tijdens de Tour fietsen, ik ben stiekem jaloers op ze

Ze worden vaak met een schuin oog bekeken, de recreanten die in juli hun fiets afstoffen. Maar een toevallige ontmoeting met drie van hen leerde me meer over mijn eigen fietsplezier dan ik durfde toe te geven.

Leon Janssen
2 minuten
Asfalt-safari
Fietsen
Column Leon Janssen

Wij wielrenners maken van alles mee onderweg: van verrassende bezienswaardigheden tot hachelijke verkeerssituaties en bijzondere ontmoetingen. In de rubriek ‘Asfalt-safari’ nemen we je mee in de avonturen van onze redactieleden, met deze week een ode aan de onbewuste leermeesters van de Tourmaand.

Het is juli, dus de schuren gaan weer open

Het is een natuurfenomeen zo voorspelbaar als de trek van de gnoes. Zodra de Tour de France begint, gaan overal in het land de schuurdeuren open. Fietsen die elf maanden hebben staan verstoffen, worden weer tevoorschijn gehaald. De fietspaden vullen zich met een nieuw, tijdelijk publiek: de Tour-recreant. Tijdens een kort middagritje kwam ik een perfect, rijdend museum van dit fenomeen tegen.

Drie mannen trof ik, afzonderlijk van elkaar. Ze waren een prachtig stilleven, een tijdreis in drie verschillende tenues. Eén droeg een recent Jumbo-Visma shirt, een aandenken aan een van de gewonnen Tours. De tweede reed in het onmiskenbare groen van Liquigas, uit de gloriejaren van Nibali en Sagan. Maar de derde, dat was de hoofdprijs: een authentiek shirt van de legendarische PDM-ploeg.

De spiegel die PDM heet

Ik vond het een verfrissend gezicht, een welkom contrast met de hypermoderne fietser die je zo vaak ziet. Die gesoigneerde verschijning in hippe pasteltinten, met perfect afkledende hoge sokjes, een kek brilletje en natuurlijk de geschoren benen. Deze drie mannen hadden dat allemaal niet. Hun teamtenues waren kleurrijk, maar de broeken waren alledrie stemmig zwart. Een enkeling had een moderne helm, de anderen een ouder model. En de benen en sokken? Ongeschoren en halfhoog, uiteraard.

Ze zagen er niet-gesoigneerd en heerlijk authentiek uit. En terwijl ik naar ze keek, realiseerde ik me iets. Ondanks dat ik van februari tot oktober op de fiets zit, herkende ik mezelf veel meer in dit trio dan in de moderne, gestileerde wielrenner.

Waarom ik meer lijk op die mannen dan ik durf toe te geven

De waarheid is: ik hou van teamtenues. Ik heb er tientallen in huis. Toch kies ik steeds vaker voor een neutraal, modern shirt. Mijn benen scheren doe ik niet, maar ook ik ben gezwicht voor de ongeschreven wet van de iets hogere sok. Waarom eigenlijk? Omdat het schijnbaar zo hoort in 2026. Maar is mijn fietsplezier er groter door geworden? Verre van.

De drie mannen hielden mij een perfecte spiegel voor. Zij waren niet bezig met de laatste trends of de ‘regeltjes’ van de wielerpolitie. Zij hadden simpelweg hun favoriete shirt uit de kast getrokken, hun oude stalen ros gepakt en waren gaan fietsen. Puur, ongefilterd, gedreven door de koorts van de Tour.

Fiets, en geniet. De rest is bijzaak.

En dat is de les die dit rijdende museum mij onbewust leerde. Het gaat niet om de juiste sokhoogte, de nieuwste aerodynamische helm of de vraag of je tenue wel ‘matcht’. Het gaat om het plezier van de rit zelf. Als jij een teamtenue aan wilt doen, doe je een teamtenue aan. Als jouw oude fiets nog lekker aanvoelt, blijf je daar lekker op rijden. Fiets, en geniet. Al de rest is totaal oninteressant.