Nieuws Cyclocross
ONEPASS | Dit is een speciaal artikel

Sanne Cant: 'Liever het WK dan 30 crossen in een seizoen'

Het is vooralsnog niet de winter van Sanne Cant, maar het seizoen is nog lang. We spraken Cant aan de vooravond van dit seizoen over haar voorbereiding, koersen op de weg en de belangrijkste wedstrijd van de winter.

Sanne Cant
Door: Tom Akkerman
Fotografie: Cor Vos

We spraken Sanne Cant aan de vooravond van het veldritseizoen. Zoals we in de intro van dit artikel al schreven, Cant heerst de laatste jaren in veldritland. Ze is de afgelopen drie jaar wereldkampioene, is al een decennium kampioene van haar eigen land en won het EK ook al driemaal. En dan hebben we het nog niet eens over de resem eindklassementen die ze al binnenhengelde. Toch is zo’n seizoensstart zelfs voor haar een beetje aftasten. Dat blijkt wel wanneer we haar vragen wat we dit seizoen van haar kunnen verwachten: “Goh, ik vind dat zelf heel moeilijk in te schatten. Ik hoop natuurlijk het niveau van vorig seizoen weer te halen en iedere week mee te strijden om de overwinning. Of dat lukt is natuurlijk altijd weer afwachten, maar ik heb er goede hoop op.”

Zoals zoveel veldrijders verruilde Cant de crossfiets deze zomer tijdelijk voor de racefiets, om zich voor te bereiden op het nieuwe seizoen. Zo richtte ze zich op het BK tijdrijden en ze deed mee aan het Europees Kampioenschap, op de Mixed Relay: “En ik heb natuurlijk hard getraind. De Mixed Relay was erg leuk om te doen. Het er naartoe werken als ploeg, maar ook de wedstrijd zelf. We werden vierde, wat ook nog een redelijk goede uitslag was. Maar het is in de zomer vooral heel hard trainen, hopelijk is dat genoeg.”

Doe je dat ook bewust, iets anders doen dan crossen?

“Ja, ik heb in de zomer wel iets nodig om naar toe te werken hoor, zodat ik niet doelloos een aantal maanden aan het trainen bent. Dus het is wel fijn om iets te hebben waar ik naartoe kan trainen. Anders is het wel moeilijk vol te houden denk ik, om zo’n lange periode te overbruggen.”

Dit seizoen rijdt Cant voor het eerst sinds jaren niet als eenling in het veld, maar heeft ze met Loes Sels en Karen Verhestraeten twee ploeggenotes aan haar zijde. Natuurlijk, in de cross komt vaak de beste bovendrijven, maar voor Cant heeft het absoluut een meerwaarde om ploeggenotes te hebben: “Ik kijk daar echt naar uit. Ik denk dat het vooral met Loes Sels erbij veel verschil gaat maken in de wedstrijd. Ik ga nu niet meer alleen van voren zitten, want normaal gezien zitten we daar met z’n tweeën. Dat betekent dat ik niet meer zelf alle gaten hoef te dichten of zelf alles op moet lossen. Ik heb iemand erbij die me ruggensteun kan geven en dat gaat het voor mij ook mentaal makkelijker maken.”

Heb je daar ook om gevraagd?

“Nou, dat is wat teveel gezegd, Loes is natuurlijk mijn nicht. Er was een fusie gaande tussen verschillende crossploegen hier in België en zij zag dat zelf niet zo zitten. Ik heb toen natuurlijk wel geprobeerd om haar bij ons in de ploeg te krijgen. Het was niet echt een vraag om een damesploeg te maken, maar meer een samenloop van omstandigheden. Maar ik ben er wel blij mee.”

In hoeverre is dat ploegenspel volgens jou van belang in de cross? Komen de sterksten niet meestal bovendrijven?

“Ja, je kunt het misschien moeilijk gebruiken in de cross. Maar stel, ik heb een slechte start gehad, kom later voorin aansluiten en er is al iemand of een aantal weggereden. Als ik dan bij Loes kom, weet ik zeker dat ze vol voor mij op kop gaat rijden om het gat te dichten. Daarmee spaar ik weer krachten.

Kan het zijn dat we Sanne Cant ook in dienst van Loes Sels gaan zien rijden of ben jij echt de kopvrouw?

“Nee, het kan zeker andersom ook. We zijn ook familie hè? Vroeger was dat natuurlijk anders omdat we geen ploeggenoten waren. Ik kon dan moeilijk tegen haar zeggen dat ze mocht winnen die dag. We hebben nu geen verschillende ploegbelangen, dus andersom zou dat zeker eens kunnen.”

Iets anders, wie zie jij als je voornaamste concurrenten?

“Ik denk dat dat altijd een beetje afwachten is. Ik ben benieuwd of rensters als Annemarie Worst, Ceylin Alvarado en Yara Kastelijn weer een stap voorwaarts hebben gezet. Eigenlijk is dat altijd een beetje spannend zo aan het begin van het seizoen. We komen elkaar in de zomer heel weinig tegen. En als je elkaar tegenkomt weet je eigenlijk nooit met wat voor ingesteldheid dat is. Rijden ze die wedstrijd als een voorbereidingswedstrijd of zijn ze juist dan al top? Dat is altijd moeilijk in te schatten.”

Er zijn aardig wat rensters die het crossen er een beetje bij te lijken doen. Vind je dat niet vervelend?

“Ik begrijp dat wel. Je kunt beide disciplines combineren, maar je kunt ook niet twee volledige seizoenen draaien. Het is logisch dat rensters die een wegseizoen hebben gereden vlak na het WK gaan rusten en dat we ze pas in december het veld in duiken. Ik denk eerlijk gezegd dat er deze winter weinig wegrensters, om ze zo te noemen, veel wedstrijden rijden. Ik denk dat dat heel slecht uitkomt in opbouw naar de Olympische Spelen van volgend seizoen. Dat geldt trouwens ook voor de mountainbikesters die ook crossen. Ik vind het wel fijn om tegen rensters als Marianne Vos, Lucinda Brand en Pauline Ferrand-Prevot te fietsen. Dat brengt meer spanning, veel kijkers en extra sfeer.”

Ben je veel bezig met wat je concurrentie doet?

“Nee. Je moet altijd van jezelf uitgaan. Je kunt een slechte dag hebben en toch de beste zijn. En andersom ook natuurlijk.”

Zou jij het ooit ambiëren, om echt de stap naar de weg of de mountainbike te maken?

“Goh, daar heb ik wel over nagedacht natuurlijk. Je moet ten eerste in een wegploeg zitten om wedstrijden als de Ronde van Vlaanderen en dergelijke te mogen rijden. Ik zit momenteel niet in zo’n ploeg, dus ik heb de kans niet om die koersen te rijden. Als ik ooit de kans krijg om dat te doen zal ik die zeker grijpen, want dat wil ik uiteraard wel eens meegemaakt hebben. En als ik de Strade Bianche op televisie zie, bekruipt mij wel het gevoel dat ik dat ook eens wil meemaken. Maar momenteel is de cross belangrijker voor me en voor de rest zie ik wel wat de toekomst brengt. Ik probeer daar niet teveel mee bezig te zijn.”

Je hebt al zoveel gewonnen, wat houdt je hongerig?

“Ik amuseer me gewoon heel erg in de cross. Ik vind op de weg rijden best saai, eerlijk gezegd. Het is altijd hetzelfde. In de cross krijg je elk weekend of twee keer per weekend een ander parkoers en een leuke sfeer voorgeschoteld. Het is korter en intensiever. Na aantal uren op de weg fietsen vind ik net wat saaier. Lange duurtrainingen op de weg? Ik doe alleen die ik moet doen. (lacht). En zolang ik me amuseer, hoef ik ook niets anders te zoeken toch?

Daar is eigenlijk geen speld tussen te krijgen. Al zit plezier voor een topsporter natuurlijk voor een groot deel in winnen. Dat beaamt Cant ook wanneer we haar vragen hoe lang ze nog door wil gaan: “Het is moeilijk te zeggen hoe lang ik nog doorga. Zolang ik kan meedoen vooraan, zal de goesting om te blijven crossen er wel blijven. Als dat niet meer lukt, zal stoppen wel dichterbij komen. Als winnen niet meer lukt, wordt het tijd voor iets anders. Maar het zal normaal zijn dat winnen op een gegeven moment niet meer lukt.”

Je sluit al een paar jaar achter elkaar de UCI-ranking af op nummer één en zorgt er hoogstpersoonlijk voor dat het gros van de hoofdprijzen naar onze zuiderburen gaat. Echter, achter jou gaapt momenteel wel een gat. In de breedte kunnen andere landen, Nederland voorop, op een veel bredere basis leunen. Wie gaat jouw opvolgster worden wanneer je stopt?

“Momenteel niemand eigenlijk. Bij onze ploeg hebben we nu een opleidingsploeg voor dames opgestart, in de hoop om het zo een beetje in de lift te krijgen. Het is afwachten wat dat gaat brengen, maar ik denk dat er nu een beetje een kloof is. Je ziet wel dat er een hoop meisjes van rond de 12, 13 jaar zijn die crossen, dus ik zal nog aantal jaar door moeten gaan ben ik bang.”

In het seizoen 2015-2016 zat Cant dichtbij de Grand Slam van het veldrijden. Ze won de Superprestige, de DVV-Verzekeringen Trofee, de Wereldbeker, het BK en het EK. Op het WK werd ze derde, na Thalita de Jong en Caroline Mali. “Het zou mooi zijn als dat eens lukte, maar ik heb de afgelopen jaren wel geleerd dat er één ding telt en dat is het WK. Je kunt alles winnen buiten het WK, maar dat is iedereen rap vergeten. Als ik moest kiezen, dan win ik liever het WK dan dertig crossen in één seizoen. Die trui geeft elke keer weer moraal en dat went mooi. Ik had vorige week een promofilm voor het BK in Antwerpen en moest daarvoor de nationale kampioenstrui aantrekken. Ik stond even voor de spiegel en dacht; oei, dat is lang geleden, maar ik hoop hem voorlopig nog even in de kast te laten liggen.”

Nieuws + Cyclocross +

Dit is een OnePass artikel

Lees de artikelen van je favoriete magazines, waar je ook bent.

Meer over OnePass