WK Gravel, Missie Mislukt: kramp, dolle stieren in het stof en stuiterdende bidons

Vandaag staat de Gravel One Fifty op het programma. Onze redacteur reed 'm vorig jaar en kwam van een koude kermis thuis. Zijn verhaal van de dag.

gravelaars

Ik begon in 2023 met gravelen en wilde het meteen groots aanpakken: plaatsing voor het WK. Dat mislukte, maar toch is hij een mooie – en ook keiharde – ervaring rijker. In de Drentse ‘plaatsingswedstrijd’ Gravel One Fifty werd ik met mijn neus op de feiten gedrukt. Een verslag van aanloop tot en met Uur U. 

Gravelboemeltje

Begin dit jaar besloot ik mijn wagonnetje – rijkelijk laat - aan te haken bij de graveltrein. Die stoomt de laatste jaren als een TGV over de onverharde paden alsof het nooit anders is geweest. Gravel was eerst voor de hipsters; mok aan het zadel, baard laten staan en gaan.

Maar niet te hard, want gravelen was vooral heel laid back. Meer een gravelboemeltje dus, in plaats van een TGV. Biertje, barbecue en weg van de drukte over onbekende paden en dirt roads fietsen.

In de laatste twee zinnen van de vorige alinea staan niet voor niets twee Engelse termen. Het gravelen is afkomstig uit de Verenigde Staten, waar je onverharde wegen hebt die golvend door het landschap voorbij de horizon lijken te voeren, Het Grote Niets in.

Vorig jaar maakte ik er kennis mee tijdens een vakantie in Amerika. In Montana beleefde ik op een gehuurde gravelfiets een prachtige dag in de rolling hills (jaja, weer een Engelse term) rond het stadje met de welluidende naam Bozeman.

Drenthe heeft het

Enthousiast geworden door dit avontuur schafte ik, eenmaal terug in Nederland, in februari een gravelbike aan. Daarmee ben ik zeker geen pionier, want in Nederland heeft Jan, alleman en z’n oma er tegenwoordig eentje in de schuur staan.

Gravel is allang niet meer voor de hippe vogels. Gravelen in Nederland is ook heel wat anders dan in Amerika, merkte ik al snel. Ik woon in de stad Groningen en daar kun je op de gravelbike eigenlijk maar één kant op: naar Drenthe.

Ten noorden en oosten van de stad is wel heel veel Het Grote Niets, maar door het prachtige Hogeland en Oldambt lopen bijna uitsluitend verharde wegen, voor zover ik weet dan – en voor er boze Groningers in de mailbox verschijnen: Het Grote Niets bedoel ik dus zeer positief; weidse landschappen, schitterend.

Drenthe heeft het, was ooit de slogan van de provincie. Dat geldt veel minder voor weidse landschappen, maar des te meer voor onverharde wegen. Vanuit de stad Groningen ben je binnen mum van tijd in een gravelwalhalla. Twee gravelwalhalla’s eigenlijk. Dat van het Nationale Park Drentsche Aa en het gebied rond Norg, iets ten zuidwesten van de stad.

Voor beide gebieden geldt: het is Amerika niet – al ligt er nabij Norg een gehuchtje met die naam. Gravelen in Drenthe, en ik vermoed in heel Nederland, betekent naast de nodige grindwegen ook en vooral heel veel zandwegen door de bossen, of door/langs akkers, weggetjes die vooral door boeren worden gebruikt.

Roadrunner

Omdat ik niet van half werk houd, stelde ik mezelf een doel bij de aanschaf van de gravelbike: plaatsing voor het WK. Dat klinkt iets ambitieuzer dan het daadwerkelijk was. Ik hoefde er geen telefoontje van bondscoach Koos Moerenhout voor af te wachten. Ik hoefde ook de strijd met Mathieu van der Poel niet aan.

De UCI heeft het gravelen namelijk inmiddels ook omarmd en wil wel iets van de authentieke sfeer laten bestaan. Daarom worden er onder de naam Gravel World Series het hele jaar door op locaties over de hele wereld ‘wedstrijdtoertochten’ georganiseerd waarbij het deelnemersveld wordt opgedeeld in leeftijdsklassen. De beste 25 procent van iedere leeftijdsklasse kwalificeert zich voor het WK begin oktober in Italië.

In het gebied rond Norg was half juli zo’n wedstrijd: de Gravel One Fifty, met start en finish in Roden, 14 kilometer fietsen vanuit Groningen, zo ongeveer naast de deur. Perfect dus! Behalve dan dat ik als lichtgewicht wel iets meer hoogtemeters zou willen en o ja… ik ongeveer nul ervaring had op onverharde wegen, laat staan zand.

Trainen geblazen dus. Eerst op zomaar wat routes die ik van internet plukte, maar als de GPX van de Gravel One Fifty op de website van het evenement wordt gepubliceerd ook op het parkoers waar het allemaal moest gebeuren. Mijn eerste ervaring met zand was er een waarin ik met neus op de feiten werd gedrukt.

Letterlijk zelfs, want ik bleef niet bij iedere passage door weer een mulle zandstrook overeind – het was een erg droog voorjaar en daarom lag het zand er vaak heel mul bij.

Achteraf niet verwonderlijk dat ik met m’n neus in het zand belandde, want in mijn banden zat aanvankelijk maar liefst 4 bar. Waarom? Geen idee meer eigenlijk. Onnozelheid.

Na wat googelen en informatie inwinnen bij ervaren gravelaars kwam ik er al snel achter dat 2,5 bar echt wel genoeg is in een gravelband, zeker als je ermee door mul zand moet ploeteren. Veel meer grip. Ik keek ook wat filmpjes op YouTube over hoe door zand te rijden. En warempel, ik stoof ineens als een soort Roadrunner door het zand. Miep-miep-zoeffff, zandspecialiste Shirin van Anrooij was er niks bij!

Toevallige hoogtestage

Gekkigheid natuurlijk, maar ik merkte wel dat het steeds beter ging. En niet alleen in het zand. De bochtjes gingen steeds soepeler en om het wat zweverig te zeggen: ik werd steeds meer één met de fiets. Een technicus á la Mathieu van der Poel zal ik nooit worden, maar ik had er enig vertrouwen in dat ik op technisch gebied niet een totaal pleefiguur zou slaan en mijn gebrek aan techniek me het WK zou kosten.

Na een min of meer toevallige ‘hoogtestage’ in de Alpen (uitvalsbasis Mégève bleek toch op zo’n 1200 meter hoogte te liggen..) op de wegfiets een paar weken voor D-Day voelde ik me er ook fysiek klaar voor.

De dag voor de Gravel One Fifty checkte ik nog even een last-minute parkoerswijzinging, nam ik door waar m’n ouders met twee verse bidonnen zouden staan en waren er uiteraard de nodige zenuwdingetjes. Wat moest ik eten de avond ervoor, en op de ochtend zelf? Meer dan normaal of niet te gek doen? Hoeveel gelletjes en reepjes moest ik mee? En zou het niveau toch niet veel te hoog zijn? Gezonde wedstrijdspanning, noem je zoiets geloof ik.

Maar toen ik op D-Day zaterdag 15 juli in alle vroegte de 14 kilometer naar startplaats Roden fietste, overheerste toch vooral het vertrouwen. Ik voegde me tussen de dranghekken bij m’n ‘concurrenten’ en zag vanaf daar Marianne Vos zich al naar de startlijn begeven voor deelname bij de voor mij startende vrouwenkoers.

Marianne Vos met een peloton mannen in haar zog | Beeld: Bjorn Eerkes

Ook bij de mannen deden er enkele grotere namen uit het gravelwereldje en de cross mee (bijvoorbeeld Eli Iserbyt en Michael Vanthourenhout). Met hen hoefde ik niet af te rekenen, want ik heb inmiddels al de respectabele leeftijd van 40 bereikt.

Nog eventjes en ook ons startvak mocht naar voren. Ik bekeek de andere ‘ouwe lullen’ in de categorie 40-44 waar ik het zo tegen op moest nemen nog eens goed en zag er een paar met een camel bag, een klein rugtasje met water/sportdrank erin, via een slangetje langs je lijf altijd beschikbaar voor een slokje. Geen slecht idee, dacht ik nog. Maar daarover zometeen meer.

Stel dolle stieren

Eerst de start. Ik had me hier enigszins nerveus over gemaakt vooraf, want het was de eerste keer van m’n leven dat ik in een peloton zou rijden. Een peloton bij het gravelen? Jazeker, in het begin van de wedstrijd was er gewoon sprake van een grote groep renners.

We stoven als een stel dolle stieren de eerste gravelstroken op. Een beetje eng, maar het viel me mee. Ik moest zelfs wat glimlachen om het gevloek en getier om me heen. Van de relaxte sfeer van het gravelen was in deze eerste wedstrijdkilometers weinig meer te merken… Maar het was ook weer geen strijd op leven en dood. Een enkele mafkees haalde wat al te gekke capriolen uit; over het algemeen was er nog wel respect voor elkaar.

In zo’n koers heeft iedere deelnemer z’n eigen verhaal met tegenslagen en meevallers. Ik zag vlak voor m’n neus iemand tegen het asfalt.. pardon, grind gaan. Ik kon zelf nog net in de remmen knijpen en lag er net niet bij. Meevaller.

Bidongate

Het verhaal van mijn tegenvaller begint met bidongate. Er gebeurde – zul je altijd zien – iets wat me bij de trainingen nog nooit overkwam. Een bidon met sportdrank vol koolhydraten en elektrolyten stuiterde zo uit m’n bidonhouder. Ik twijfelde even om te stoppen en minderde wat vaart, hetgeen me terecht op een scheldkanonnade kwam te staan van wat mensen achter me.

Uiteindelijk accepteerde ik m’n lot en reed een bidon armer door. Die camel bag was nu uitstekend van pas gekomen. In plaats daarvan communiceerde ik zo goed en zo kwaad als het kon met m’n ouders die op meerdere punten langs het parkoers me stonden aan te moedigen. Die communicatie bestond van mijn kant uit het schreeuwen van BIDON! KWIJT! NIEUWE!, of woorden van gelijke strekking.

Ze hadden de boodschap begrepen en even verderop langs de route stond m’n moeder als een ware verzorger met een verse bidon in haar handen klaar. Zo’n bidon-aanpak-move hadden we allebei nog nooit gedaan, dus ik was even bang dat ik ervoor had gezorgd dat haar schouder uit de kom raakte.

Maar die bezorgdheid maakte al snel plaats voor de bezorgdheid die ik aflas van mijn Garmin. Daar stond, naast steeds een bizar hoge snelheid, al ruim meer dan een uur een hartslag die ik bij lange na geen 150 kilometer ging volhouden. Maar goed, tegen beter weten in toch maar aan blijven haken bij het groepje.

Bovendien voelde ik me heel goed en sterk op de fiets. Ik gooide die hoge hartslag dus voor het gemak maar even op frisheid, nadat ik in de aanloop naar de Gravel One Fifty taperde (rust nemen voor een wedstrijd).

Bij een verzorgingspost liet ik m’n groepje, dat daar lekker doorheen dollestierde, achter om toch maar weer m’n bidonnen tot de nok toe te vullen – het was erg warm op 15 juli en dus andermaal: die camel bag was toch echt wel handig geweest.

‘Are you f*cking kidding me?!’

Ik was alleen. Zonde van het goede groepje waar ik inzat, maar het zorgde wel even voor wat rust in het hoofd. Met veel moraal reed ik door, want ik rekende na een tijdje solo te hebben gereden uit dat ik nog steeds met een gemiddelde van 32 per uur aan het koersen was. Over zand en ander onverhard terrein, lang niet gek!

Ik haalde groepjes in. Moest grinniken om een Brit die bij het opdraaien van wéér een zandstrook de gevleugelde woorden ‘Are you f*cking kidding me?!’ sprak. Welkom in Drenthe, meneer de Brit! Zelf vloog ik over het zand en voorzichtig zag ik mezelf al in dat spuuglelijke Nederlandse tenue rijden op het WK in Italië.

Niks ervan!

Nee. Niks ervan. Het liep heel anders. Het begon met een licht onheilspellend gevoel in de bovenbeenspieren. Ze trokken net iets meer samen bij het aanzetten dan me lief was. Ik wilde het negeren, maar kende het als de voortekenen van kramp.

Het zette door. M’n hele onderlijf was niet veel later een krakkemikkig, piepend vehikel dat alles wilde behalve op een fiets zitten. Maar ik zat dus wel op een fiets. Een fiets die over hobbelige weggetjes met veel haakse bochten en ander gedoe moest. Veel staand op de pedalen mezelf weer in gang trekken dus. Niet echt ideaal voor benen met kramp, om het op z’n zachtst te zeggen.

Een stuiterbidon, hitte en niet te vergeten overmoed – die veel te hoge hartslag voor lange duur had ik NATUURLIJK niet moeten negeren – eisten hun tol. Maar opgeven wilde ik niet.

Doorkrabbelen met kramp

Zo goed en zo kwaad als het ging krabbelde ik door. Van het WK nam ik langzaam afscheid toen ik lijdzaam moest toezien hoe steeds meer rugnummers uit mijn leeftijdsgroep me passeerden. Uitrijden was nu het doel. Overleven.

Dat lukte, ook omdat het op den duur wel weer ietsje beter, nee wacht, minder slecht ging. Staan op de pedalen lukte niet, als ik zittend kracht zette voelde ik alweer een krampaanval opkomen. Maar met een hoge cadans de pedalen op een licht verzet ronddraaien lukte nog net. Mede met hulp van rugnummer 655 (Lars Verhulsdonk uit Arkel, zocht ik later op – bedankt Lars!) hield ik het tempo er op het laatste stuk nog redelijk in.

We belandden zelfs weer in een groter groepje. Toen iedereen in dat groepje op de laatste zandstrook nog één keer aanzette en ik mee wilde, werd ik net als bij mijn eerste kennismaking met zand weer met de neus op de feiten gedrukt: die kramp was er toch echt nog steeds wel. Gelost.

Op het tandvlees reed ik in m’n eentje de laatste kilometers naar de streep. Nét niet onder de 5 uur, maar dat kon me niets meer schelen. En uiteraard ook geen plaatsing voor het WK.

Missie Mislukt, maar wel een wijze les en toch ook een mooie ervaring rijker. Al dacht ik daar de eerste uren na de koers anders over. Ik ondervond dat je ook bij een kort, verhard loopje naar de keuken gewoon nog in de kramp kon schieten.

Zelf in het zadel
  • Beeld: Bert Smilda Fotografie